Kootstertille - Van der Werf

Kooten
Van oorsprong was Kooten een boerendorp (Kooten is afgeleid van Cottum, dat weer komt van keuterboeren, ofwel ‘de koters’). Doordat in 1571 de Spaanse luitenant-stadhouder Caspar di Robles de opdracht gaf tot het graven van het Kolonelsdiep, sinds 1945 Prinses Margrietkanaal genaamd, kwamen zich meer mensen vestigen in de omgeving van de brug over dit kanaal. Het Kolonelsdiep liep vroeger door Kootstertille. Deze nederzetting kreeg de naam Kootstertille, in het spraakgebruik ‘De Tille’ genoemd (Tille is de Friese benaming voor hoge brug). Vooral rond de eeuwwisseling verrezen hier o.a. enkele oliemolens, een jeneverstokerij en een scheepstimmerwerf; een pril begin van industrialisatie dus. Na de Tweede Wereldoorlog werd de vaarweg van Lemmer naar Groningen gemoderniseerd en door verbreding, uitdieping en aanleg van onder andere nieuwe bruggen geschikt gemaakt voor grotere schepen. In het kader hiervan werd een deel van het vaarwater door Kootstertille gedempt en werd het kanaal om het dorp heengeleid, waardoor in de vorm van een doodlopende arm een haven ontstond, waar diverse bedrijven gebruik van maakten. Dit had tot gevolg dat ‘De Tille’ het dorp Kooten ging overvleugelen en daarom is in 1959 de dorpsnaam Kooten opgegaan in Kootstertille. Als gevolg van een wijziging van het industrialisatiebeleid van het Rijk werd Kootstertille aangewezen tot ontwikkelingskern. De ligging aan het grootscheepsvaarwater bleek niet alleen voor Minne Haykes een belangrijke vestigingsfactor te zijn. Er vestigden zich sindsdien verschillende middelgrote bedrijven. Deze industrialisatie heeft voor de ontwikkeling van Kootstertille belangrijke gevolgen gehad. Toen de groei op gang kwam, maakte het dorp al spoedig een ‘overstapje naar de overkant’ van de Âlde Dyk. Inmiddels is hier een vrij grote wijk verrezen.

Minne Haykes van der Werff

In 1840 kwam uit het scheepsbouwgeslacht Van der Werff uit Drachten een telg zijn zelfstandige toekomst hier in de Kooten zoeken. De scheepstimmerknecht Minne Haykes van der Werff (*03-04-1794 te Noorderdrachten - †04-08-1853 te Kooten), zoon van Haicke Pyters van der Werff (*1760 - †1813) en Sytske Minnes (*1754 - †1834), nam op de zuidelijke oever aan het Caspar di Roblesdiep bij de brug, de tille, onder Kooten op 12 mei (âldemaie) 1840 de twee huizen, werf en boomgaard voor fl. 811,- van Durk Kornelis Kuipers (*1799 - †1864) uit Buitenpost over. De verkoper in kwaliteit was Hielke Feringa (*1800 - †1879) uit Augustinusga. Feringa had het huis, gequoteerd nr. 72, erf en scheepstimmerwerf op 13 april 1837 ook al verkocht voor Willem Lieuwes Bijleveld (*1782 - †1853). Hier kreeg Willem Lieuwes toen nog fl. 820,- voor. Deze Willem Lieuwes Bijleveld had het onroerend goed op zijn beurt op 13 augustus 1821 gekocht voor fl. 500.- van de Veenwoudster schipper Gale Metskes Steensma. Hij kon het niet direct betalen en sloot daarom tegelijkertijd voor dat bedrag een lening af met koopman Willem Durks Kuipers van Buitenpost. In de koopakte was nog nergens sprake van een bestaand scheepstimmerbedrijf. Deze zal Willem Lieuwes Bijleveld op deze locatie, scheef tegenover de huidige ‘TILLE Scheepswerf B.V.’ aan de andere kant van het water, nieuw hebben gesticht.
Minne Haykes vertrok met zijn gezin uit Drachten naar het Caspar di Roblesdiep, dat als vaarweg tussen Bergum en de Groninger wateren in het midden van de negentiende eeuw van groot belang werd voor het noordelijke scheepvaartverkeer. Al het onroerend goed rond Drachten, waaronder twee huizen aan Tjibbele Wietzes Kamp (*1807 - †1898), verkocht hij voor fl. 400,- en zelfs zijn zitplaats in de kerk verkocht hij voor fl. 80,- aan Pope Durks Duursma. Ook de aandelen in de ouderlijke werf aan de Noorderdwarsvaart werden verkocht aan Tjibbele Wietzes Kamp.

Molle Minnes van der Werf

Als personeel voor het bouwen van schuitehollen had Minne Haykes in het begin zijn beide zonen Molle Minnes en Pieter Minnes (*06-10-1828 te Drachten - †14-10-1886 te Suameer) ter beschikking. Indien er niet direct een koper was, werd een ”nieuw schuitehol” in de Leeuwarder Courant door Minne Haykes uit de hand te koop aangeboden zoals in 1841.
Op 4 augustus 1853 droeg Minne Haykes, nog op de dag van zijn overlijden, op zijn sterfbed, de werf en de beide huizen met bijbehorende grond over aan zijn zoon Molle Minnes van der Werf (*07-09-1823 te Drachten - †29-11-1893 te Kooten). De notaris kwam daarvoor naar het woonhuis in Kooten en daar werd ook de akte van overdracht opgemaakt. Molle kocht de werf voor fl. 1.000,-. Bij Molle Minnes werd, waarschijnlijk was de fout gemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand, er bij de achternaam maar één 'f' geschreven in de achternaam 'Van der Werf'. Molle Minnes runde eerst de werf zelf, maar nadat Molle Minnes in de loop der jaren al tweemaal weduwnaar was geworden, trouwde hij in 1887 voor de derde maal. Hij trok zich helemaal uit de scheepsbouw terug en werd brugwachter in Augustinusga. Zijn zonen Minne Molles (*05-12-1851 te Kooten - †14-03-1926 te Sneek) en Joon Molles (*27-09-1856 te Kooten - †30-12-1934 te Groningen) gingen wel in het vak verder. Zij bezaten, als erfgenamen van hun respectievelijke moeder en overleden broers en zusters, het grootste aandeel in de werf met toe- en aanbehorend onroerend goed. Joon Molles zal de werf van zijn vader in Kootstertille van 1888 tot en met 1911 voortzetten terwijl Minne Molles eerst naar de Bergumerdam en later naar Sneek vertrekt.

Joon Molles van der Werf

Joon Molles, die de scheepstimmerwerf met huizen voor fl. 1.326,- had overgenomen, ging al vroeg over op ijzerbouw. Voor de bouw van de ijzeren roefschepen was wel meer ruimte nodig. Joon Molles kocht in 1896 hiervoor er een bouwterrein bij voor fl. 161,-. De eerste registratie van een ijzeren schip dateert van 1897 en na 1900 werden er vrijwel alleen nog maar ijzeren en stalen schepen gebouwd. Hieronder bevonde zich 28 roefschepen, waarvan er nog enkele varen. In 1908 bouwde Joon Molles de ‘Zeldenrust’ [L 1138 N], in een verhouding 4,65:1 (16,50x3,55 m), voor Ealze Jans Brouwer uit Drachten. Dit mooi gelijnde schip werd in 1982 door skûtsjekenner Simon van der Meulen uit Wartena als woonarkje teruggevonden in Makkum. Nadat de houten opbouw eraf was gesloopt, was er weinig van de romp over. Maar Van der Meulen erkende de mooie lijn van het schip en begon aan een grootscheepse restauratie. Het achterschip, boeisel, stuiten en dekken werden in 1984 vakkundig met oog voor originaliteit hersteld. Zelfs in de winter 1985-1986 werd er tijden de elfstedentocht doorgewerkt. In juli van dat jaar kon de mast weer omhoog. Van der Meulen gaf het skûtsje zijn originele naam weer terug, ‘Zeldenrust’. Het was weer een schitterend schip geworden, waar in in de IFKS veel wedstrijden mee zijn gezeild. Van der Meulen werd met dit skûtsje in 1988 en 1989 kampioen in de omstreden Nederlandse Kampioenschappen Skûtsjesilen (NKS).
Joon Molles vertrok in 1911 naar Harlingen om daar de werf ‘Welgelegen’, voorheen van Anne Adamus Alta, nieuw leven in te blazen. Hij vroeg in 1910 een hinderwetvergunning aan voor het oprichten van een scheepsmakerij voor ijzeren vaartuigen. In verband met de benodigde geldmiddelen voor de financiering van dat project, verkocht Joon Molles van der Werf de bezittingen in Kootstertille in 1911 voor fl. 3.700,- aan Foppe Roels Veenstra. Hij was een gewezen landbouwer/veehouder te Kooten en de schoonvader van Molle Joons (*05-02-1882 te Kooten - †15-06-1943 te Akkrum), de oudste zoon van Joon Molles.
Molle Joons bleef de werf in Kootstertille exploiteren. Waarschijnlijk was de investering van schoonvader Veenstra in 1911 bedoeld geweest om de mogelijkheid te scheppen dat zijn schoonzoon Molle Joons de werf in Kootstertille zou kunnen voortzetten. Deze bereidheid om geld in de werf te beleggen luwde na het overlijden van Molle Joons vrouw Hinke Foppes Veenstra in 1915 en zijn hertrouwen in 1917. Molle Joons bouwde in de tijd dat hij werfbaas was vijf roefschepen, waarvan de ‘Twee Gebroeders’ [L 1305 N], nu als ‘Eelkje I’, als museumstuk in Allingawier bij de Stichting Aldsfears Erf Route ligt. Dit schip werd in 1912 met een lengte van 15,58 en een breedte van 3,37 m gebouwd.
Joon Molles was inmiddels weer in Kootstertille komen wonen na een debacle met zijn werf in Harlingen. Hij kocht op 14 mei 1918 zijn daar vroegere onroerend goed weer terug van Foppes Roels Veenstra voor de prijs van fl. 3.000,-. Hij wilde kennelijk niet meer naast de werf wonen, want hij kocht in december van Bartholomeus Schuurer een woning en erf in het dorp. Zijn zoon Molle Joons vertrok een jaar later met zijn gezin naar Drachten, om vandaar naar Leeuwarden te verhuizen. Daar vestigde hij zich op de werf aan ’t Vliet bij de Poppebrug.
Joon Molles zal de werf nog drie jaar runnen om het op 14 april 1921 aan zijn zoon Harm Joons van der Werf (*09-03-1894 te Kooten - †30-05-1939 te Rolde), monteur te Groningen, te verkopen. Joon Molles bouwde in deze periode geen skûtsjes meer. Harm Joons verkocht de werf op zijn beurt op 11 februari 1926 voor fl. 2.510,-. Daarna werd het areaal als landbouwgrond gebruikt en deed nog dienst als opslagterrein voor de gemeente. Na 1945 werd de schuur gebruikt door jachtbouwer Miedema en later door waterbouwbedrijf Deltabouw uit Holwerd. Tegenwoordig is de grond en opstallen in eigendom van Van Santen. Deze vestigde er het gelijknamige Scheepsvaartbedrijf, dat gespecialiseerd is op het gebied van sleep- en bergingswerkzaamheden.
Laatst gewijzigd op: 12 september 2011