Franeker - Klaas Draaisma

Scheepswerf Draaisma aan 't Vliet te FranekerScheepsbouwwerf Welgelegen
De scheepswerf ligt aan het einde van de bebouwing van het Oostvliet te Franeker. Het vliet was een buurtschap te zuidwesten van Franeker, vallend onder het beheer van de stad. De vaart ter plekke stond enerzijds bekend als ‘het Vliet’ en anderzijds werd hij op de kadastrale minuutplans vermeld als de ‘Harlinger Vaart’. Ook werd het water wel aangeduid als de Franeker Vaart. Het was een deel van de druk bevaren trekvaart van Leeuwarden naar Harlingen. Omstreeks 1500 vond de eerste bebouwing plaats langs het Vliet. De eerste vermelding van een scheepswerf aan het Vliet is eind 1584. Vanaf die periode vinden we de meeste werven aan het Westvliet. Van mr. scheepstimmerman Jelle Sybrandts werd in 1584-1595 geschreven dat hij schepen leverde aan stadsgenoten, maar ook aan schippers uit Harlingen en Leeuwarden.
Op het Oostvliet werd in 1768 ene Jouster Jacob Claases als scheepstimmerman/schuytmaker te Franeker genoemd. Samen met zijn zwager Freerk Baukes kopen ze twee huizen van meester wever Harmen Franses Cordel op het Oostvliet. Vanaf 1770 noemden zij zich ‘scheepstimmerlieden in Compagnie’, een maatschap zoals we het nu zouden noemen. Eind oktober 1773 kocht Jacob Claases zijn zwager uit. Voor 900 caroligulden werd huis, knechthuis en een keurige helling overgenomen. Er werd in die tijd door Jacob Claases een schuite gebouwd voor 684 caroligulden voor Meynert Clases uit Exmorra. In 1789 werd een koffyschip van 28x8,25 vt te koop aangeboden door de scheepstimmerman op het Vliet in Franeker.

Op 1 februari 1800 verscheen en een advertentie in de Leeuwarder Courant (LC) waarin Jacob Klazes, sinds vele jaren eigenaar en gebruiker, “een scheepstimmerwerf met huizinge cum annexis op het eind van het Oostvliet aan de Franeker Vaart” te koop aanbood. Jacob Claases was ziek, want op 12 maart overleed hij en verkocht zijn weduwe voor 860 caroliguldens de schuitmakerij, timmerschuur en de woning met hof aan Ype Leeuwkes Schuitmaker (*08-06-1763 te Franeker - †02-03-1828 te Franeker). Hij was al in het bezit van de helft van een werf op Zevenhuizen. Deze had hij van zijn vader Leeuwke Ypes overgenomen in 1784. De werf aan het Oostvliet werd gebruikt door zijn zoon Leeuwke Ypes (*12-08-1787 Franeker - †10-03-1837 Franeker). Na het overlijden van Ype Leeuwkes werden de erfgenamen het niet eens over de boedel. Het kwam tot een gerechterlijk besluit en de werven werden finaal verkocht op 1 mei 1828. Ype Leeuwkes zijn zonen Pieter, Dirk en Paulus kochten uit de opbrengsten de werf op het Oostvliet terug voor fl. 696,-. Pieter Ypes Schuitmaker (*05-01-1789 te Franeker - †16-01-1862 te Menaldum) verhuisde naar de werf. Pieter had de dagelijkse leiding op de werf, zo doet blijken uit de advertenties in de Leeuwarder Courant. Hij nam een aantal knechten aan om het werk op de werf te klaren. Samen met zijn broer Leeuwke waren ze echte vaklui. Ze bouwden trekschuiten die in die tijd tot de top van de scheepsbouw behoorden. Na het overlijden van zijn vrouw Fennigje Klazes Mulder in 1846 moest de werf verkocht worden om de kinderen hun erfdeel te kunnen uitbetalen. De nieuwe eigenaar werd op 13 december 1847 de Harlinger Douwe Jans van der Zee (*13-10-1799 te Workum - †17-05-1875 te Franeker). Hij werd voor de prijs van fl. 1.580,50 eigenaar van “Eene huizing, timmerschuur, erf en bergplaats voor hout onder Franeker”.

Klaas Johannes Draaisma

De oudste dochter van deze Douwe Jans van der Zee, Jetske (*09-07-1821 te Harlingen - †23-04-1878 te Franeker), trouwde op 1 augustus 1841 met scheepstimmerknecht Klaas Johannes Draaisma (*24-11-1818 te Franeker - †28-03-1874 te Franeker) uit Franeker. Klaas was voorheen en daarna in dienst bij zijn schoonvader Douwe. In 1865 werd de werf versterkt met scheepstimmerman Douwe Paulus Schuitmaker (*24-04-1828 te Franeker - †1915). Het was de neef van de vorige eigenaar. Douwe had geen mannelijke nakomeling als opvolger. Hij bood daarom de werf, samen met de kinderen als erfgenamen van hun overleden moeder, in de Leeuwarder Courant van 1 februari 1867 te koop aan. Het bedrijf werd omschreven als “Eene huizinge met twee woonkamers, keuken met put, bak, tuin, bleekveld met twee daarnaast staande scheepstimmerschuren, de ene 70 vt x 28 vt en de andere 56 vt x 13 vt.” Het bedrijf werd in twee percelen verkocht. De ene was de woning en de andere de timmerwerf.
Na de verkoop van de werf op 18 maart 1867 is Klaas op de werf werkzaam gebleven. Het blijkt dat hij een samenwerkingsverband aangegaan was, want op 7 juni 1867 verscheen er een advertentie in de LC, geplaatst door D. Schuitmaker & K. Draaisma in compagnie: “aan het Oostvliet vragen terstond 1 á 2 scheepstimmerknechten”. Het mag aangenomen worden, dat de werf gehuurd werd van de nieuwe eigenaren. Eerst van de zwagers Willem Rinses Mulder uit Franeker en Mame Annes Hiemstra uit Marrum samen en na 1873 van Mulder alleen. Ze hadden in 1867 de helling overgenomen voor fl. 1.111,- en bijbehorende woning voor fl. 1.213,-. De samenwerking tussen Douwe Paulus en Klaas duurde niet lang. Douwe Paulus Schuitmaker vestigde zich in 1871 op een werf aan de stadsgracht van Franeker. Nu was Klaas alleen als scheepstimmerman op de werf aan het Oostvliet. De zonen van Klaas en Jetske, Johannes (*29-06-1845 te Franeker - †18-03-1936 te Franeker), Folkert (*24-01-1853 te Franeker - †03-07-1930 te Franeker), Jan (*03-11-1854 te Franeker - †06-02-1922 te Franeker) en Anne (*03-02-1863 te Franeker - †07-04-1929 te Franeker)) en schoonzoon Keimpe de Boer (*1859-†1912) en diens vader kwamen ook op de werf, waarna het zich ontwikkelde in zekere zin als familiebedrijf.
Klaas zijn vader Johannes Tjeerds (*18-10-1788 te Franeker - †04-11-1828 te Franeker) had in 1811 als scharenslijper de achternaam Draaisma aangenomen. Als een echte houtbouwer werden er op de werf o.a. praamschepen en snikken gebouwd.

Johannes Klazes Draaisma

Na het overlijden van Klaas in 1874 kwam de leiding van de werf in handen van zijn oudste zoon Johannes Klazes. Deze was op 19 mei 1872 getrouwd met Hoitje Stedehouder (*30-03-1847 te Franeker - †30-05-1874 te Franeker). Zij kregen twee zonen, Klaas Johannes (*13-01-1873 te Franeker - †02-07-1931 te Franeker) en Jan Johannes (*15-05-1874 te Franeker - †16-06-1874 te Franeker). Echter Hoitje kwam na de geboorte van haar tweede zoon te overlijden en Johannes trouwde snel daarop met Lolkje Groeneveld (*21-11-1841 te Welsrijp - †13-09-1927 te Franeker) op 15 november 1874.
Op 23 maart 1875 verkocht Willem Rinses Mulder de werf aan Johannes voor de prijs van fl. 4.000,-. Er werd een voorschot op de koopprijs betaald van fl. 500,-. De rest diende op 12 mei 1875 te worden betaald, of anders op eerste aanmaning. Voor het verschuldigd blijvende bedrag was een rentevoet van 5% per jaar overeengekomen. Johannes Klazes bouwde niet allen in opdracht maar bood ook via de krant schepen te koop aan. Dit waren over het algemeen pramen, kleipramen, overdekte roefpramen, overdekte roefschepen, snikken en schuiten (skûtsjes).
De hiervoor genoemde Klaas Johannes Draaisma kwam eveneens bij zijn vader in dienst. Het was en bleef een zeer sterk getint familiebedrijf, want naast Klaas werden ook van de volgende generatie scheepstimmerlieden Yge (*08-04-1884 te Franeker - †27-03-1954 te Franeker), zoon van Folkert Klazes Draaisma, en Folkert (*15-12-1890 te Franeker - †04-02-1977 te Franeker) zoon van Jan Klazes Draaisma, beide dus neven van hun oom Johannes in de gelederen opgenomen.
In 1890 werd er een insteekhaven gegraven op het zuidelijke stuk van het werfterrein, loodrecht op het Vliet. Deze haven diende als kanthelling. Deze helling werd gebruikt voor onderhoud en reparatie van schepen, die daartoe op hun kant werden getrokken. Eerst over de ene kant en vervolgens over de andere kant. Men kon hierbij, beurtelings de bakboord- en de stuurboord zijde van het onderwaterschip, meestal tot iets voorbij het midden bij de kiel, schoonmaken, afdichten (breeuwen), conserveren en eventueel repareren.
In 1893 werd de Harlinger trekvaart omgelegd van het Vliet naar een nieuw gegraven kanaalverbinding ten zuidoosten van de bestaande bebouwing aan het Oostvliet. Door Johannes was al van te voren bouwland gekocht, grenzend aan de werf en achter de huizen aan het Oostvliet. De nieuwe topografische situatie, die ontstaan was door het nieuwe kanaal, bood interessante mogelijkheden voor aanpassing en uitbreiding van de werf. Er ontstond ruimschoots plaats voor het kanthellingen van schepen. Het aantal slepen van de kanthelling werd uitgebreid tot drie en er was voldoende aanlegplaats voor te repareren schepen. Met behulp van zoon Klaas Johannes werd de overgang van de houten naar de ijzeren scheepsbouw mogelijk gemaakt. Klaas Johannes had de kennis van de ijzeren scheepsbouw op de werf van Wolter Mulder in Vierverlaten in Groningen opgedaan. Hij vertrok op 30 september 1895 voor een half jaar naar Vierverlaten. Evenals Klaas Johannes heeft nog een aantal andere Friese tijdgenoten-scheepsbouwers uit de toen jongere generatie het werken met het nieuwe materiaal geleerd op de scheepswerf van Mulder. Uit deze tijd zijn enkele handgeschreven leerboeken van Klaas Johannes bewaard gebleven, zie ##. Hierin werd de volgorde bij het maken van een scheepsbouwtekening verwoord en de methode van uitslaan en het vormen van de ijzeren huidplaten behandeld, evenals de volgorde bij de opbouw van de scheepsromp uit onderdelen. Ook werden de fijne knepen van het vak erin vermeld. Deze leerboeken waren qua handschrift zeer uniform gemaakt. Het was niet het handschrift van een persoon, die gewend was intensief zware handarbeid te verrichten. Het lijkt daarom aannemelijk, dat de leerboeken door een speciale schrijfkracht bij de scholingswerf waren gemaakt. Klaas Johannes keerde terug naar Franeker in maart 1896. In 1897 werd de eerste stalen tjalk gebouwd voor Harmen Visser uit Franeker. Het schip kreeg de toepasselijke naam ‘De Eersteling’. Het werd gemeten op een lengte van 22,85 m, breedte 4,72 m en 118,052 ton [L 366 N]. Hij was hiermee één van de eerste Friese ijzerbouwers.

Klaas Johannes Draaisma

Vader Johannes, die als houtbouwer niet zoveel op had met de ijzerbouw, droeg de werf op 6 mei 1910 over aan zijn zoon Klaas Johannes. Johannes was toen 64 en Klaas Johannes was 37 jaar oud. De overnameprijs bedroeg fl. 5.000,-, waarvoor Klaas fl. 4.000,- van zijn vader leende tegen een rente van 4% per jaar. Na de overname van de werf werd er met behulp van aannemer Klaas Westra uit Franeker een dwarshelling bij gebouwd. Deze helling werd aangelegd op het westelijke gedeelte van het perceel bouwland en de opvaart, nadat die was gedempt. De werkbreedte van de helling werd 13,65 m bij Fries Zomerpeil. Deze helling was bedoeld voor binnenschepen van 80 tot 100 ton. Er konden tot een zestal tjalken op de helling gezet worden in twee langsrijen naast elkaar en drie schepen in elke rij. De helling werd uitgerust met negen stel rails en hellingwagens. Hiermee konden schepen met een diepgang tot 1,40 m op het droge worden getrokken. De grootste schepen, die ooit op de werf werden gezet, waren de Kempenaars. Schepen van dit type hadden de afmeting van 55 x 7,50 m. Deze schepen kwamen echter niet vaak in de Franeker contreien. Oorspronkelijk werden de lieren voor het omhoogtrekken van de hellingwagens met de hand bediend. Vrij spoedig werd de aandrijving vervangen door een verbrandingsmotor en uiteindelijk door een elektromotor.
Klaas Johannes Draaisma kreeg zes nakomelingen uit twee huwelijken. Uit het eerste huwelijk met Janke Brouwer (*03-09-1873 te Franeker - †21-11-1908 te Franeker) werden twee zonen en een dochter geboren. Ze stierven allen na een paar dagen en ook Janke overleed op jonge leeftijd. Uit het tweede huwelijk met Pietertje Jetzes Bouma (*08-03-1877 te Lollum - †07-08-1959 te Franeker) stamden vier kinderen, waarvan twee zoons, Johannes (*23-03-1914 te Franeker - †05-03-1984 te Franeker) en Jetze (*26-07-1917 te Franeker). Zijn jongste dochter Lolkje (*19-05-1912 te Franeker - †03-05-1995 te Leeuwarden) trouwde op 1 april 1936 met Tjibbele Ates van der Werff (*17-05-1911 te Leeuwarden - †14-08-1996 te Leeuwarden) van de werf ‘Welgelegen’ op Schilkampen in Leeuwarden. Zijn vader, Ate Tjibbeles van der Werff (*1888 - †1969), was werfbaas te Schilkampen in Leeuwarden waar hij in 1909 was begonnen. Tjibbele en Lolkje, wonende aan de Emmakade Z.Z. 120, nemen in 1957 de machinefabriek van Tjibbeles vader over.

Door de omschakeling op de ijzerbouw was het druk op de helling. Vandaar dat er ook veel personeel nodig was. Rond 1910 liep er 28 man personeel op de werf. Samen met hen had Klaas Johannes in de loop der jaren heel veel schepen gebouwd van zeer uiteenlopende types. Zo waren er natuurlijk de skûtsjes. Vele mooi afgewerkte ijzeren exemplaren gleden van de helling bij Draaisma. Klaas Johannes was gedwongen vanwege lage bruggen en pijpen in Franeker de skûtsjes vrij plat en gestrekt te bouwen in tegenstelling tot de skûtsjes van ‘De Piip’ en Buitenstvallaat uit Drachten die snellere vormen met meer zeeg en een grotere ronding tussen kop en kont konden bouwen. Het is bekend dat Klaas Johannes Draaisma ‘dragers’ bouwde. Deze hadden een enigszins plompe vorm, die toegepast werd om een zo groot mogelijk laadvermogen te verkrijgen. De snelheid werd ondergeschikt aan het grotere laadvermogen. In de SKS heeft alleen Sietse Tjittes Brouwer (*21-06-1920 te Buitenpost - †29-06-1980 te Wartena) met een skûtsje van deze werf in 1953 en 1954 meegevaren. Het skûtsje, de ‘Lotus’ uit 1928 [L 1790 N] met een laadvermogen van 52,020 ton, was niet ingericht als wedstrijdschip. Maar Sietse deed op het laatst mee, omdat het er in die dagen op leek, dat het skûtsjesilen helemaal niet meer zou doorgaan. Het skûtsje was twee dagen voor de wedstrijd nog met 40 ton modder beladen bestemd voor Schuilenburg. Een opsteker en een grootzeil werd verkregen van Lodewijk Meeter, een mast van Wouter Pietersma, een giek van Ulbe Zwaga en een fok van Berend Mink. Zo is Sietse Brouwer gestart en heeft in het eerste jaar zelfs op Grou nog een eerste plaats behaald. Het skûtsje is nu in eigendom van Peter de Koe en gebruikt voor de recreatie en chartervaart.
In het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek worden veel tekeningen van Draaisma bewaard. Van sommigen kan niet vastgesteld worden of de getekende schepen ook daadwerkelijk zijn gebouwd. Gezien de lengte/breedte verhouding wijst het op skûtsjes en niet op beurtschepen. De tekeningen werden destijds ook wel bij offertes gebruikt. We zien bijvoorbeeld dat van het schip van Wouter de Roos uit Minnertsga ook een tekening aanwezig is die bij de werf van Brandsma was vervaardigt. De Roos gunde de opdracht in 1905 aan Draaisma [L 952 N].
Ook aakschepen, klippers, klipperaken, sleepboten, vletten, pramen, schouwen enz., werden gebouwd. In de wat slappe tijden werden er ook pramen voor eigen rekening, die later werden verkocht of anders werden verhuurd. Dit laatste was een lucratieve bron van inkomsten. Klaas Johannes had verschillende pramen in de verhuur. Niet alleen in aantal maar ook in grootte. Van een 5-tons praam tot een 22-tons praam met nog zeven andere tonnages daar tussen in. In 1916 werd er een 13 pk gasmotor op de werf geplaatst, bestemd om machines in beweging te brengen in een werkplaats van 30x15m. Klaas werd in dit jaar met zijn werf ook lid van de Friesche Scheepbouwers Vereniging. E.e.a. getuigt van een zeer levendige zakelijke activiteit. Ze zaten ruim bij kas, zodat het Klaas Johannes mogelijk werd om heel veel klanten financieel tegemoet te komen, door hun krediet te geven, gepaard met een regeling betreffende rente en aflossing. Hierdoor kon er aanzienlijk meer werk worden aangetrokken, dan zonder deze financieringsmogelijkheid. Natuurlijk speelde hierbij een fijne speurzin over de betrouwbaarheid van de klanten een belangrijke rol. De dwarshelling werd hierdoor intensief gebruikt. In 1919 waren er 111 schepen op de helling geweest voor onderhoud. Dat waren er dus minstens twee per week. Klaas Johannes overleed al in 1931 aan de gevolgen van een hersenbloeding. Zijn vader Johannes overleed vijf jaar later, intussen al 90 jaar oud geworden.
De vrouw van Klaas Johannes, Pietertje Bouma, voerde de werf na het overlijden van haar man formeel verder. Bij de boedelscheiding in 1932 werd zij de eigenaresse van de onroerende goederen, inclusief de werf. Zij werd bijgestaan door haar oudste zoon Johannes Klazes Draaisma, die dan nog maar 17 jaar oud was en door Yge en Folkert, beide neven van haar overleden man. Johannes Klazes kreeg direct met de crisisjaren te kampen. Het laatste ijzeren skûtsje voor de vrachtvaart in Friesland liep in 1933 voor Jacob de Jong uit Witmarsum bij de werf Draaisma in Franeker van de helling. De nieuwbouw van schepen kwam bijna helemaal stil te liggen en de werkzaamheden beperkte zich tot onderhoud en reparatie. Desondanks wordt in 1938 Scheepswerf “Welgelegen” aan het Vliet 143 te Franeker uitgebreid met de vervaardiging van plaat- en smeedwerk, ijzerconstructies enz. Daarna volgde de malaise gedurende de oorlogsjaren.

Johannes Draaisma

Weduwe Pietertje Bouma trad op 1 juli 1940 uit het bedrijf. Het bedrijf werd in zijn geheel overgedragen aan zoon Johannes Klazes Draaisma voor fl. 21.742,24. Gedurende de oorlogsjaren was er gebrek aan alles. Het werk kwam nu bijna geheel stil te liggen. Het personeel werd deels door de bezetter gerekruteerd voor de ‘Arbeitsdienst’ in Duitsland.
Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de modernisering van de waterweg van Leeuwarden naar Harlingen haar beslag. Al vanaf 1939 waren hiervoor plannen van de overheid. Er werd nog wel protest aangetekend, met het verzoek om te zorgen dat de werf goed bereikbaar zou blijven. Voor Franeker behelsde dit project o.a. de plaatselijke omlegging van de vaart, die deel werd van het nieuw aangelegde Van Harinxmakanaal. De uitmonding van het Vliet werd eveneens omgelegd naar het nieuwe kanaal, dat ongeveer 70 m zuidoostelijk lag ten opzichte van de vroegere vaart. De toegang tot de werf dreigde voor grotere schepen onmogelijk te worden. Johannes Klazes protesteerde fel en schakelde leden van de Gedeputeerde Staten en de Gemeente Franeker in. Uiteindelijk met succes, want de plannen werden aangepast. De Provinciale Dienst voorzag uiteindelijk in een adequate verbinding met het Vliet en tevens in een ruime opvaart en havenkom voor de scheepshelling. Na verloop van tijd bleek dat er zich abnormaal veel slik begon af te zetten in de havenkom voor de werf. Dit werd veroorzaakt doordat de weke bodem van het gedempte kanaal weggeperst werd door het gewicht van de zwaardere grond waarmee het kanaal was opgevuld. Het werd hierdoor noodzakelijk de havenkom voor de helling van tijd tot tijd uit te baggeren, wat op eigen kosten met gespecialiseerd materieel werd uitgevoerd.
Mede door de afspraken binnen de ‘Friesche Scheepsbouwersvereeniging’, waarvan Johannes penningmeester was geworden (1937-1952) na het overlijden van Johannes de Roos uit Leeuwarden, profiteerde het bedrijf volop van de naoorlogse economische opleving. Deze ging gepaard met een sterke inhaalvraag naar achterstallig onderhoud en reparatie, modernisering en nieuwbouw van schepen voor de beroepsvaart. Veel schepen werden verlengd om daardoor het laadvermogen te vergroten. Johannes ging met zijn tijd mee. Zo kwam er voor de oorlog nog een reparatiewerkplaats voor scheepsmotoren. In de jaren 1950 en 1951 nam Johannes de modernisering van de werf verder ter hand, nadat de nodige vergunningen in verband met de Hinderwet waren verkregen. Er werd een machinefabriek ingericht met draaibank, freesmachine, zaagmachine enz. Ook werd er een werkplaats ingericht voor het herstellen van motoren en voor het verven van boten. Tevens werd de aandrijving van de machines gemoderniseerd en werd er verder gemechaniseerd. In 1965 werd er een hydraulische pers aangeschaft voor de vormgeving van scheepsplaten, spanten enz. Per 1 januari 1972 werd het bedrijf omgezet in een vennootschap onder firma. De bedrijfsnaam ‘Scheepswerf en Machinefabriek Welgelegen K. Draaisma’ bleef herinneren aan de voorouderlijke generaties. Met de oprichting van de Vof, traden Johannes en zijn beide zonen Klaas en Jetze toe als firmanten. De beide zoons werden zo mede-eigenaar. Na het overlijden van Johannes in 1984 zetten de beide broers de vennootschap door. Klaas concentreerde zich voor de volle 100% op de technische aspecten en Jetze besteedde naast de technische inzet een deel van zijn capaciteit aan de commerciële aspecten van het bedrijf.

Draaisma Scheeps- en Jachtwerf en Shipdock Draaisma

Toen Klaas en Jetze de werf overnamen van vader Johannes, waren ze zich er van bewust dat er wel iets veranderd moest worden. Hoewel zij zich specialiseerden in onderhoud en reparatie van schepen tot een lengte van 25 m zou dit op den duur niet genoeg zijn. De vraag naar werfcapaciteit voor grotere vrachtschepen nam af, waardoor de werf werd ingekort en het aantal rails met hellingwagens werd in beginsel teruggebracht van negen naar vijf. De nieuwbouw concentreerde zich nu op de kleinere jachten en bedrijfsvaartuigen. In 1985 werd er een grote loods gebouwd voor een overdekte winterberging. Daarvoor moest wel een schiphuis worden afgebroken en een gedeelte van een sloot worden gedempt. Het hele terrein werd opnieuw ingericht. Met de nieuwe loods op het terrein kwam er een bergingsmogelijkheid voor een honderdtal boten. In 1986 werd geïnvesteerd in een rijdende schepenlift met een hefvermogen van 50 ton, speciaal voor droogzetten, reparatie en onderhoud van kleine bedrijfsvaartuigen en jachten. Tevens werd deze lift gebruikt voor het winterbergen van jachten, zowel overdekt als buiten. Behalve jachtbouw vond er ook onderhoud plaats aan meet-, peil- en inspectievaartuigen van onder meer Rijkswaterstaat, Korps Landelijke Politiediensten en het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Het bedrijf bleef tot 2001 aan het Vliet gevestigd, in de binnenstad van Franeker. Ondanks dat er in 1990 even sprake van was dat de werf naar een andere vestigingsplaats moest zoeken. De gemeente Franeker was in het bezit van de voormalige Bodewes-werf en wilde de terreinen gaan gebruiken voor woningbouw. Het Industrieterrein West zou de nieuwe locatie moeten worden. Er zou dan wel een haven gegraven moeten worden en de nodige faciliteiten voor een helling moeten worden gebouwd. Daarnaast kreeg de gemeente de vergunningen voor eventuele nieuwbouw niet rond in verband met het bestemmingsplan. De kloof tussen de gemeente en Klaas en Jetze werd groter op het financieel vlak. Daarbij kwam de aanwezige bodemverontreiniging op de oude werf na al die jaren van onderhoud aan die vele schepen die op de helling hadden gelegen. De sanering moest alleen al twee miljoen gulden gaan kosten. Er werd besloten de werf op zijn oude locatie aan het Oostvliet te houden. De dwarshelling werd uiteindelijk gesloopt. Het was niet langer mogelijk daarvan een rendabel gebruik te maken, dit vanwege de nodige investeringen om aan de steeds strenger wordende wettelijke milieu-eisen te kunnen voldoen. De vloer werd verhard en voorzien van opvangbakken. Filters en zuivering moesten het oppervlakte water schoon houden om verdere verontreiniging te voorkomen.
Toch werd het bedrijf opgedeeld en heeft het in 2001 een locatie op het Industrieterrein West gekregen, waar een modern en overdekt droogdok werd ondergebracht in een loods van 40 bij 20 meter langs het Van Harinxmakanaal, omdat de dwarshelling was gesloopt en de vraag naar werfcapaciteit voor iets grotere schepen weer bleef komen. Op de buitengevel werd met trots aangegeven dat het behoorde tot ‘Shipdock Draaisma’. Om de bouw te kunnen financieren was subsidie nodig. Er werd samen met een viertal andere bedrijven in de metaalsector een samenwerkingsverband gesticht met de naam ‘Techno Fryslân’.
De monumentale oude werkplaats aan het Vliet is nog steeds aanwezig. De oude klinknagels liggen nog bij de veldsmidse, het gereedschap is nog aanwezig en het aambeeld staat uitdagend in de schuur. Het oude werk kan zonodig nog altijd gedaan worden. Op de gevel hangt nog het bord met de tekst “Scheepswerf Welgelegen Franeker Tel. 2077”. Op de werf werd af en toe nog naar oude wijze een antiek schip gerestaureerd, zoals het laatste skûtsje wat hier o.a. verlengd werd, de ‘Jonge Rein’ [L 1030 N], van de Wytgaardster IFKS-schipper Erik Jonker, in de winter van 2006-2007, naar de scheepsbouwtekening van Frits Johannes Jansen uit Grou.

Per 1 februari 2009 is het bedrijfsdeel met het overdekte droogdok verkocht aan Dirk van Dellen en Rienk Bijlsma. Dirk was al vele jaren in dienst van de Draaisma’s. Het bedrijfsdeel aan het Oostvliet is gelijktijdig aan hen verhuurd. Klaas en Jetze hebben zich wegens gebrek aan opvolgers binnen de familie en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd uit het actieve bedrijfsleven teruggetrokken. Daarmee is er een eind gekomen aan een begrip in Franeker en in Fryslân, maar de werf blijft voortbestaan.

Laatst gewijzigd op: 5 mei 2014