Leeuwarden, Schilkampen - Ate Tjibbeles van der Werff

Werf 'Welgelegen'Schilkampen
Schilkampen was bekend als een buurtschap van Leeuwarden. Niet in de wijk Schieringen en ver van het moderne Camminghaburen. Als je via de Kanaalweg vanuit de stad naar het oosten rijdt zie je de treurige, maar noodzakelijke fabrieken van de zuivelreus en de meelgigant Koopmans. Totdat je bij de brug in een flauwe bocht bijna ongemerkt het laatste stukje niet gedempte water van het Vliet passeert. Vanaf deze brug heb je een prachtig uitzicht op het rustieke Schilkampen.
Het buurtschap strekte zich enkele honderden meters oostwaarts uit vanaf de plek waar het Vliet, de Greuns, de Kurkemeer en de Schieringersloot samenkwamen. Het grensde ten zuiden aan de Greuns en ten noorden aan de Kurkemeer. De bewoners voelden zich daar zo buiten de stad eigenlijk geen Leeuwarders. De naam Schilkampen duidde op stukken land (kampen), die gebruikt werden voor de opslag van schelpen (skil). Deze kampen lagen ten noorden van de Kurkemeer. De schelpen werden hoofdzakelijk gebruikt door de kalkbranderijen, voor productie van schelpkalk.
Al aan het eind van de zestiende eeuw werden er ‘schuitmaekers’ genoemd op Schilkampen. Zeker vanaf het begin van de achttiende eeuw waren er twee scheepstimmerwerven aanwezig. Één ervan lag aan het westelijke einde en de andere aan het oostelijke einde van dit buurschap. De vestiging van de werven op Schilkampen was bedrijfstrategisch gezien een goede keuze geweest. Ze bevonden zich aan het grootscheepsvaarwater, waarlangs, vanuit de stad Leeuwarden, het achterland in oostelijke en zuidelijke richting, met grote schepen bereikt kon worden. Vanuit de stad gezien droeg het water de naam het Vliet en heette dan bij Schilkampen de Greuns. De grootste van de twee werven was de oostelijke met twee zeer gunstig gelegen slepen ten opzichte van het vaarwater.

Yetse Johannesz - Bauke Durks Bakker

Al voor 1720 was meester schuitmaker Yetse Johannesz actief op Schilkampen. Hij bouwde in 1758 een kofschip waarop hij schipper werd. Zijn opvolger was de uit Dokkum afkomstige Johannes Gosses. Van hem is bekend dat hij kofschepen en beurtschepen bouwde. Na het overlijden van zijn vrouw Hiltje Harmens in 1781 was ook Johannes Gosses al op leeftijd. Mede daardoor en dat de werf niet floreerde werd de werf met woonhuis op 5 juni 1782 te huur aangeboden. De nieuwe huurder en bewoner werd Jan Pieters Miedema. Hij bracht de werf weer tot bloei en kreeg weer veel klanten. In 1788 werd Jan Pieters Miedema eigenaar van de scheepstimmerhelling met twee ten westen van de werf gelegen huizen. Jan Pieters kwam zelf in het meest westelijk gelegen huis te wonen. Terwijl het andere huis werd bewoond door één van zijn knechten. Zoals we vaak zien trouwde de nieuwe scheepstimmerbaas vlak nadat hij de werf in bezit had gekregen. Jan Pieters trouwde op 1 november 1789 in de Westerkerk met Nieske Watzes Grabius uit Rauwerd. Ze kregen naast dochters drie zonen. Twee kwamen vroeg te overlijden. De jongste Pieter Jans (*01-03-1800 te Leeuwarden - †16-09-1870 te Ezumazijl) kwam later bij zijn vader op de werf in dienst, waar pramen, schuiteschepen en kofschepen gebouwd werden. Hij was nog te jong toen zijn vader op 11 juli 1815 op 62-jarige leeftijd overleed. Omdat zijn moeder ook al was overleden werd de “zeer bekwame timmerhelling en timmerschuur, en daarby nog eene woning” in januari 1816 geveild. Het huis en de timmerhelling werden provisioneel en finaal toegewezen aan olieslager en zeepzieder Pieter Govert de Vries (†08-02-1854 te Leeuwarden). De roerende goederen werden voor fl. 550,- verkocht. De werf kwam onder leiding van Klaas Jetzes de Jongh die in maart trouwde met Tietje Jans Miedema, de dochter van Jan Pieters. Maar Klaas overleed echter op 32-jarige leeftijd in 1819. Tietje kwam daarna in contact met Bauke Durks Bakker, de zoon van scheepsbouwer Durk Uilkes Bakker die de andere werf op Schilkampen runde, en trouwde met hem in december 1822. Totdat Pieter Jans, wonende in het ouderlijk huis, meerderjarig was in 1824 hebben de Bakkers de zaak waargenomen. Op deze werf van Bauke Durks Bakker zijn vader was geen plaats voor hem. Bauke wilde voor zich zelf verder. Hij huurde van Aaltje Jacobs Nijdam te Leeuwarden, weduwe van Sieds Geerts van der Werf in 1831 een werf op het Vliet. Zijn vertrek van Schilkampen ging gepaard met een scheiding en verkoop van de boedel van wijlen Jan Pieters Miedema. Hierdoor verliet in 1832 Pieter Jans ook Schilkampen. Een groot deel van Schilkampen kwam hiermee in het bezit van Pieter Goverts de Vries en zijn vrouw Anna Kuipers. De twee oliemolens en grond tegenover Schilkampen, aan de overkant van de Greuns, waren ook in eigendom van de familie. De Vries bood de werf met woning te huur aan. Pieter Jans Miedema bood niet mee. Hij vertrok naar Ezumazijl, waar zijn vrouw Jeltje Baukes Bijlsma vandaan kwam, en vestigde zich daar als scheepstimmerman met een eigen werf.
Scheepstimmerman Douwe Tjeerds van der Slot bood wel mee en werd de huurder op Schilkampen. Hiermee werd hij ook scheepstimmerbaas op een eigen werf. De IJlster Jarig Pieters van der Meulen (*28-10-1817 te Sneek) was in 1851 huurder en gebruiker van het huis en de scheepswerf voor een jaarlijkse huurprijs van fl. 160,-. Na het overlijden van Pieter Goverts de Vries maakten de erfgenamen de bezittingen te gelde. Jarig werd eigenaar van de werf bij de finale veiling op 17 maart 1854. Hij betaalde fl. 1.171,- voor “eene scheepstimmerwerf en groote timmerschuur staande en gelegen op Schilkampen bij en onder Leeuwarden”. Lange tijd heeft Jarig niet van dit nieuw verworven bezit kunnen profiteren, want hij overleed op 6 november 1856 op 39-jarige leeftijd. Zijn nog zwangere weduwe Sijke Tijsses Jaarsma liet de werf met timmerschuur en twee huizen veilen en keerde terug naar haar ouders in Heeg. De werf werd toegewezen aan oude bekenden, Bauke Durks Bakker en zijn vrouw Tietje Jans Miedema. De huur van de werf op het Vliet was verstreken en ze wilden voor zich zelf beginnen met een eigen werf. Ze betaalden fl. 1.166,- voor de werf. Maar was het een wijs besluit? Door gezondheidsredenen kon Bauke de werf al snel niet meer leiden en werd Wietze Tjibbeles Kamp (*05-08-1832 te Drachten - †12-07-1930 te Drachten) in 1857 hellingbaas. Bauke overleed op 28 januari 1858.

Wietze Tjibbeles Kamp

Wietze Tjibbeles Kamp was één van de twee zonen van Tjebele Wytzes Kamp (*1807 - †1898) en Hinke Ates van Veen. Tjebele Wytzes Kamp was op 2 november 1831getrouwd met Hinke Ates van Veen (*1794 - †1880), weduwe van Pieter Haykes van der Werff (*1790 - †1825). Na het overlijden van de scheepstimmerbaas aan de Noorderdwarsvaart in Drachten in 1825 bleef zijn moeder Sietske Minnes (*1754 - †1834) de zaken op de werf regelen totdat in 1831 de werf werd verhuurd aan weduwe Hinke Ates. Na de dood van Sietske Minnes in 1834 werd Tjebele Wytzes scheepstimmerbaas aan de Noorderdwarsvaart in Drachten.
In 1857 huurde Tjebele Wytzes Kamp, samen met zijn zoon Wietze Tjibbeles Kamp, van Tietje Jans Miedema de werf op Schilkampen in Leeuwarden. Wellicht heeft het bedrijf in Drachten toen tijdelijk stil gelegen. Er was, als gevolg van een internationale crisis rond 1860, tijdlang weinig werk. Desondanks werden voor het bouwen van hektjalken vijf scheepstimmerknechten gevraagd die zowel op Schilkampen als aan de Noorderdwarsvaart gewenst waren. Ruim tien jaar later op 23 mei 1870 werd houtbouwer Wietze Tjibbeles Kamp voor de koopsom van fl. 2.000,- eigenaar van het huis en de scheepstimmerschuur te Leeuwarden. Tietje Jans Miedema bleef nog tot haar dood op de werf wonen, waarna Wietze ook die woning overnam van haar erven.
Uit een bewaard gebleven werfboek kunnen we opmaken dat tot de klantenkring schippers uit de vrachtvaart van binnen en buiten Friesland en eigenaren van jachten behoorden.

Oebele Pieters van der Werff

Oebele Pieters van der Werff en Duifke Willems DorenbosWietze bouwde hoofdzakelijk in hout. Na zijn 65ste kwam de 20-jarige Oebele Pieters van der Werff (*18-04-1877 te Drachten - †20-01-1947 te Doesburg) als knecht uit Drachten naar Schilkampen. Met de familiebanden die Wietze altijd bleef onderhouden met de Van der Werff’s in Drachten was hij op zoek naar opvolging. De jonge achterneef Oebele Pieters, zoon van Pieter Haikes van der Werff (*1845 - †1900), hellingbaas aan de Noorderdwarsvaart en vanaf 1892 ook van de scheepswerf aan de Langewyk, had op Vierverlaten bij Wolter Mulder (*1868 - †1960) een opleiding gevolgd voor het ijzeren scheepsbouwvak. Met de mogelijkheid bij Wietze op de werf kon hij de theorie in de praktijk brengen. In 1898 kwam Oebele zijn jongste broer, Pieter Pieters (*29-04-1885 te Drachten - †23-07-1898 te Drachten), bij een tragisch ongeluk om het leven op de werf. Doordat hij met zijn hoofd tussen de spaken van het bedieningsrad van een buigmachine kwam brak hij zijn nek. De buigmachine, die bestemd was voor het buigen van ijzeren spanten, duidde erop dat er toen inmiddels met het bouwen van ijzeren schepen was begonnen. De onderhoud- en reparatiewerkzaamheden aan ijzeren schepen werden door Oebele opgepakt. De overgang van hout op ijzer hield ook voor Oebele in dat hij zich volledig in Leeuwarden ging vestigen. De werf werd geleidelijk overgenomen door Oebele. Wietze trok zich steeds meer terug. In 1900 kwam zijn vrouw Duifke Willems Dorenbos (*31-12-1876 te Drachten - †28-10-1940 te Doesburg) ook van Drachten naar Leeuwarden. Het pas getrouwde paar kwam in het hellinghuis op de werf wonen, tussen het huis van Wietze en de timmerschuur. Oebele zette met zijn plannen door. Ingevolge het bepaalde inartikel 8 der Hinderwet, werd hem op 29 augustus 1900 vergunning verleend door de B&W van Leeuwarden tot “oprichting van eene smederij en eene metaalklopperij op het terrein van de scheepstimmerwerf”. In de zomer van 1901 begon Oebele met de bouw van zijn eerste skûtsje. Haye Jacob Slof uit Joure had zijn vertrouwen in de jonge scheepsbouwer gesteld. Het werd ‘De Twee Gebroeders’ [S 606 N] van 15,07x3,34 m, nu in gebruik bij Varend Friesland. Toen Oebele in het voorjaar van 1902 zijn tweede skûtsje had gebouwd vond Wietze het tijd om de zaak geheel over te dragen. Oebele Pieters werd eigenaar van de werf, met de twee daarbij behorende huizen, voor de prijs van fl. 4.000,-. Voor deze investering sloot Oebele een obligatielening af bij de Friesch-Groningse Hypotheekbank, voor een bedrag van fl. 3.000,- à 4,5% rente per jaar, met een jaarlijkse aflossing van fl. 100,-. Wietze keerde met zijn vrouw Lutske Djoerds Damstra (*21-02-1832 te Augustinusga - †04-02-1907 te Drachten) terug naar Drachten, waar ze zich vestigden op het Moleneind Z.Z. Na het overlijden van Lutske werd Wietze, oud en blind geworden, verzorgd door Jitske Sybrens Hoekstra (*13-02-1883 te Dantumadeel - †15-11-1964 te Drachten), de latere echtgenote van Bouke Roorda (*1878 - †1958) van de Piipster werf in Drachten.
Oebele Pieters van der Werff had dus de werf op Schilkampen in een ijzeren helling getransformeerd. Voor zover nu bekend bouwde hij nog negen roefschepen die gemiddeld nog geen 16 m lang waren. Daarnaast bouwde hij een reeks tjalkschepen die ook verhuurd werden voor gemiddeld fl. 1.200,- per jaar. Net als zijn collega’s slaagde hij er nooit in twee identieke schepen te bouwen. Wel waren er schepen met dezelfde lengte, maar dan verschilde de breedte en andersom. Oebele had, drie jaar voordat hij de werf zou verkopen, twee werkmanswoningen bij de werf laten bouwen. De werf die door het leven ging als ‘Scheepsbouw en Reparatiewerf / Scheeps- en grofsmederij’. In 1909 nam Oebele een scheepswerf aan de Burgemeester Fl. van Aspermontlaan 10 in Doesburg over. Hij was hiermee de eerste telg van de Van der Werff’s die naar een werf buiten Friesland verkaste. De werf aan de IJssel in Gelderland zou tot 2000 in de familie blijven.

Ate Tjibbeles van der Werff

Hiermee kwam de werf op Schilkampen in de verkoop. Één van de geïnteresseerden was Oebele zijn achterneef Ate Pieters van der Werff (*1881 - †1960) wiens vader Pieter Ates van der Werff (*1845 - †1922) op de Bergumerdam een werf had. Een andere kandidaat was nog een achterneef van Oebele. Dit was Ate Tjibbeles van der Werff (*01-03-1888 te Warga - †16-09-1969 te Leeuwarden). Hij was de oudste zoon van de Wargaaster scheepstimmerbaas Tjibbele Ates van der Werff (*1856 - †1926). Om de prijs voor elkaar niet te zeer op te drijven, spraken ze af dat er slechts één van hen zou bieden. Samen hadden ze daarna geloot met stokjes van ongelijke lengte, om te bepalen wie van hen op de werf zou gaan bieden. Het werd Ate Tjibbeles van der Werff die de “een grote schuur met kantoor en magazijn, twee sleephellingen, een woonhuis en een gebouw aan de Kurkemeer met twee woningen” aan de Schilkampen te Leeuwarden finaal kocht op 26 oktober 1909, koopprijs fl. 5.743,-. Daarnaast werden een buigmachine, ponsmachine, twee knipmachines, veldsmidse, twee Westontakels, drie snijijzers, diverse gereedschappen en enig materiaal voor fl. 1.100,- overgenomen. Ate Pieters van der Werff kocht vervolgens in 1910 de werf van Jan Jans Bos (*1839 - †1910) in Echtenerbrug.
Ate Tjibbeles had op zijn beurt het ijzeren scheepsbouwvak in Warga geleerd op de werf ‘De Onderneming’ van zijn vader. Hij gaf zijn werf de naam 'Welgelegen' wat gezien de locatie zeer toepasselijk was. Een maand later trouwde Ate Tjibbeles op 18 november 1909 in Grouw met Trijntje Pieters Mennega (*08-10-1888 te Valom - †19-10-1978 te Ferwerd). Nadat Ate Tjibbeles de werf had aangekocht bezweek één van de twee oude houten hellingbanen. Dit was het begin van een modernisering op de werf. Er werd een werkplaats bij gebouwd en er kwam een nieuwe dwarshelling met vijf hellingbanen met bijbehorende rails. Ook het woonhuis werd eind 1910 uitgebreid met een serre. Door de komst van de elektriciteit in 1912 kwam er een transformatorhuisje op het terrein. Ate had in twee jaar tijd zeven skûtsjes gebouwd, maar er konden nu schepen met een lengte van ruim 31 m op de helling als de Friese Maatkast. De zaken verliepen goed met dikwijls wel een zestal schepen op de werf. In de Eerste Wereldoorlog werd Ate gemobiliseerd en werd gelegerd in Noord-Brabant. Hierdoor liep de productie terug, totdat Ate in 1917 op zakenverlof mocht in verband met een belangrijke opdracht. De bouw van een 158 ton tweemast zeilschoener ‘Cato’. Het schip verging op haar eerste tocht in 1918 naar Oslo. De oorlog liep op zijn eind en het werd er niet beter op in de bedrijfstak. Om tot betere afspraken te komen tussen de werven was ook Ate Tjibbeles in 1915 lid geworden van de ‘Friesche Scheepsbouwersvereeniging’. Deze tak van de familie heeft daarna altijd iets gehouden met de vereniging. Was het vader Tjibbele Ates van der Werff die vicevoorzitter werd na de oprichting, zo werd Ate Tjibbeles in 1917 secretaris. Hij bleef dit tot 1948, waarna hij door zijn broer Auke Tjibbeles werd opgevolgd. Ate Tjibbeles werd twee jaar later echter weer secretaris van de vereniging en bleef dit in zijn tweede ambtstermijn tot 1967. Zijn zoon Rienk Ates volgde hem toen op.
Op 31 oktober 1919 had Ate Tjibbeles verdere verbouwingsplannen van de smederij en uitbreiding van de scheeps- en timmerwerf. Er brak een periode van relatieve welvaart aan. Er werd een machinefabriek ingericht. Dit was een strategische goede zet. Er werden meer klanten aangetrokken die de voorkeur gaven aan het schip en voortstuwingsinstallatie gelijktijdig te laten repareren en onderhouden. Daarnaast werden er in de loop van jaren verschillende nieuwe schepen gebouwd. Het personeelsbestand liep hierdoor op tot 70 personen.
Het vakmanschap bleef niet alleen onopgemerkt binnen de scheepsbouw. Ate en Trijntje waren in 1920 naar de Vredeman de Vriesstraat 55 verhuisd. Hun woning op het werfterrein maakte plaats voor een nieuwe loods en de werf werd op 7 juli 1921 ingeschreven in het Handelsregister. Ate werd gevraagd om deel te nemen in een bouwkundig project. Bij de bouw van de Koepelkerk in de Vredeman de Vriesstraat werden de onderdelen van de dragende constructie van het koepeldak van de kerk op de werf vervaardigd. Maar ondanks deze nevenactiviteiten voorkwam Ate niet dat in de crisis jaren een faillissement dreigde. Zijn dure woning aan de Vredeman de Vriesstraat moest verkocht worden en Ate kwam weer op de werf wonen.
De Leeuwarder Reederij Stânfries, die zijn kantoor had aan de Willemskade, werd een nieuwe klant voor onderhoud en reparatie aan haar stoomboten. Mede doordat de bank in 1934 weigerde financiële middelen beschikbaar te stellen aan concurrent Molema, Landeweer en Stemmer voor de bouw van negen ketels waarmee Landeweer hydraulische gereedschappen wilde aandrijven. Hiermee was D. Landeweers Machinefabriek, Scheepsbouwwerf & Motorenfabriek failliet. Ate Tjibbeles slaagde er wel in om uiteindelijk binnen vijf jaar alle schulden te vereffenen.
De economie haalde kort voor de Tweede Wereldoorlog aan. Met het uitbreken van de oorlog werden de werkomstandigheden uiterst moeilijk. Er was geen materiaal te krijgen tenzij je voor de Duitse bezetter ging werken. Hergebruik van sloopmateriaal werd een noodzakelijkheid om aam het werk te blijven. Wanneer er noodgedwongen aan patrouilleboten van de Duitse Kriegsmarine gewerkt moest worden, werd de reparatie zo lang mogelijk vertraagd.

Tjibbele en Rienk van der Werff

Ate en Trijntje kregen in hun huwelijk zes kinderen. Hun oudste zoon Tjibbele (*17-05-1911 te Leeuwarden - †14-08-1996 te Leeuwarden) kwam in 1925 op de werf werken, waardoor hij een praktische opleiding in het bedrijf doorliep. Hij volgde met succes de Avond Nijverheidsschool. Hoewel zijn hart naar het scheepsbouwen uitging, legde hij zich toe op de werktuigbouw. Ingegeven door Ate. Hiermee nam hij op de werf ook de leiding over in de machinefabriek. Hij touwde op 1 april 1936 in Leeuwarden met Lolkje Klazes Draaisma (*19-05-1912 te Franeker - †03-05-1995 te Leeuwarden) dochter van de Franeker scheepsbouwer Klaas Draaisma. Na de Tweede Wereldoorlog wilde de Stânfries-rederij haar schepen moderniseren. De schepen werden met 5,00 m verlengd en werden voorzien van een dieselmotor. Ate leidde de verlenging en Tjibbele kreeg de leiding bij het inbouwen van de motoren. In 1948 trad ook Ate zijn jongste zoon Rienk (*25-10-1927 te Leeuwarden - †10-07-2004 te Leeuwarden) toe tot de werf en belande automatisch in de scheepsbouw. Door naast het praktische werk nog speciale opleidingen te volgen werd ook hij een volleerd scheepsbouwer. De werf werd na de oorlog uitgebreid met een zesde hellingbaan, waardoor het mogelijk werd schepen met een lengte tot circa 40 m op de helling te zetten. Maar na 1945 werden er, op één uitzondering na, geen nieuwe schepen meer gebouwd op ‘Welgelegen’. Voor het werfbedrijf werden de basiswerkzaamheden onderhoud, reparatie en verlengen van schepen. De bij de werf behorende machinefabriek had veel werk met het onderhoud en reparatie of vervanging van de motoren, schroefassen, -koker, keerkoppelingen, lieren enz. De schippers lieten deze werkzaamheden veelal doen wanneer ze moesten wachten voor een retourvracht die door de bevrachtingbeurs werden aangewezen.
Op 29 december 1956 is Ate Tjibbeles uitgetreden als eigenaar. Op 12 januari 1957 wordt de vennootschap onder firma van A.T. van der Werff aan de Schilkampen 29-33 in Leeuwarden opgeheven. Het bedrijf werd opgesplitst. De scheepswerf ging over naar zoon Rienk, wonende op de Schilkampen 37, terwijl de Machinefabriek overgenomen werd door Tjibbele, wonende aan de Emmakade Z.Z. 120. Het bedrijf ging in deze vorm door, maar de echte bloeitijd van het bedrijf was over. De helling werd te klein voor de schaalvergroting van onder meer de duwvaart. Het personeelsbestand nam geleidelijk af. De recreatievaart werd een nieuwe bron van inkomsten. Winterstalling op het werfterrein en eigenaren konden zelf hun boten er onderhouden, waar gewenst assistentie en materiaal ter beschikking werd gesteld. In 1969 draaide het bedrijf nog, maar kon niet uitbreiden vanwege de plannen die de provincie en de gemeente Leeuwarden hadden met grotere schepen met steenkool bestemd voor de PEB en transport van melkproducten van de ‘Condens’ van Leeuwarden naar Rotterdam. Daarover heen kwam de stadsuitbreiding naar het oosten. Schilkampen werd met een dam verbonden met Kleyenburg waardoor vanaf de Greuns niet meer doorgevaren kon worden naar de Kurkemeer en het Vliet. De werkwal van de werf en de machinefabriek aan de Kurkemeer werd hierdoor als zodanig nutteloos. Met de dam werd tevens het koelwater van de Centrale vanaf toen gereguleerd. Toestemming voor uitbreiding van de werf werd niet meer verkregen. Wel werd er in 1977 een akkoord bereikt tussen de gemeente en Tjibbele en Rienk. Hierbij bood de gemeente aan om de terreinen met opstallen te kopen voor prijzen waarmee een verplaatsing en herinrichting van beide bedrijven mee kon worden bekostigd. Tjibbele was inmiddels 65 en had geen opvolgers. Hij koos er voor om zich te laten uitkopen, zonder zich elders opnieuw te vestigen. Rienk was nog maar 49 en gaf er de voorkeur aan om de werf te verplaatsen naar een andere locatie. Aan de Neptunusweg in Leeuwarden, op het industrieterrein De Hemrik, werd een nieuwe werf voortgezet. De naam bleef hetzelfde, ‘Welgelegen’. Rienk bleef tot 1994 actief. Zijn zoon Herman nam daarna de bedrijfsactiviteiten over. Als geschikte werf, met dwarshelling, voor de vrachtvaart is het tegenwoordig de enige overgebleven werf in de binnenwateren van de provincie Fryslân. Op Schilkampen verdween de scheepsbouw die daar eeuwenlang karakteristiek was geweest.
Laatst gewijzigd op: 3 december 2012