Leeuwarden - De Roos en Van der Meijden

Scheepstimmerwerf 'De Hoop' aan de Dokkumer EeIn de binnensteden en langs de vaarten in en bij Friese steden en dorpen ontwikkelde zich in de vorige eeuw belangrijke bedrijvigheid die aan veel mensen werk verschafte. In een nog verder verleden behoorde Friesland zelfs tot de belangrijkste industrieprovincies van Nederland.

De ligging aan de Zuiderzee, de aanwezigheid van veel binnenwater en een relatief bloeiende agrarische sector leidde tot grote bedrijvigheid met molens, ‘tichelwurken’ (steenmakerijen) en scheepswerven. Veel fabrieken verdwenen ook weer.

Door de bedrijvigheid in de waterrijke Zuidwesthoek van Friesland en overige dorpen en steden ontstonden wijdverbreid vaartdorpen. De vaart vormde in tegenstelling tot de weg de centrale as en dat is nog goed te zien aan de stand van de huizen, waarvan de voorzijden naar het water zijn gericht. Friesland kende in de negentiende eeuw nauwelijks verharde wegen. De vaart en het water was de enige weg, waar reizigers en handelswaar langs moesten om van het ene naar het andere dorp te komen. Zelfs brieven werden per schip verstuurd. De steden IJlst en Workum, maar ook de oudste stadsuitbreidingen van Franeker (Vliet, Vijfhuizen) en Leeuwarden (‘t Vliet, Schilkampen, Oldegalileën e.o.) tonen morfologisch een sterke verwantschap met de vaartdorpen. In deze stadsuitbreidingen bevonden zich tal van nijverheidsbedrijven waaronder meerdere scheepswerven. Het waren gebieden waar tot in het laatst der vorige eeuw de Friese taal ook nog vrij algemeen in gebruik was. Ook heden ten dage is de oude landtaal nog niet volkomen uitgestorven in bijvoorbeeld de druk bevolkte Leeuwarder buitenbuurten 't Vliet, Schilkampen, Camstraburen en Oldegalileën.

Oldegalileën

Oldegalileën, tot het eind van de 19e eeuw een buurtschap aan de Dokkumer Ee, lag ten noorden van Leeuwarden. De naam is ontleend aan een voormalig klooster, ‘Galileën’. Het klooster stond buiten de stad Leeuwarden en was gelegen aan de Ee. Het werd bewoond door Franciscanen, welke men Minderbroeders noemt, en aanvankelijk was het gesticht in het jaar 1473, door Tzomme Wijaerda en zijn huisvrouw Ath Bonninga, beide van adellijke en achtbare afkomst. Onderdeel van het klooster was het blokhuis waar priesters en kappelanen predikten. In of omtrent 1498 is het klooster naar binnen de stad verplaatst, opdat er geen vijanden zich in zouden nestelen. De latere Galileërkerk op de Tweebaksmarkt in Leeuwarden is die van het klooster.

‘Houtpôlle’

In de zeventiende eeuw zetelde zich langs de noordelijke vaarweg van Leeuwarden industrie. Ten noorden van waar het klooster had gestaan werd langs het onbestrate voetpad naar Lekkum in 1622 een houtmolen gebouwd. Het stuk land waarop de molen werd gebouwd, aan het einde van de Oldegalileën, werd door de voogden van een weeshuis afgestaan. Deze plek kreeg al snel de naam 'Houtpôlle'.

Deze eerste molen is waarschijnlijk in 1740 vervangen door een nieuwe houtzaagmolen. Deze stond later bekend onder de naam 'De Fisker', genoemd naar de houtkopers en zaagmolenaars Yntje Douwes Visser (*1758 - †1837) en zijn zoon Dirk (*1800 - †1862). De molen was van het type stellingmolen. Een windmolen die hoog genoeg was, om voldoende wind te kunnen vangen, de 'vrije windvang'. Om dan de molen te kunnen bedienen was er halverwege de hoogte een stelling rondom de molen gebouwd (of ook wel omloop, zwichtstelling, galerij, gaanderij of balie genoemd). Vanaf deze stelling bediende de molenaar de molen om te kruien. Hierbij werden de molenwieken loodrecht op de wind gedraaid om de beste energie-overdracht te verkrijgen en werden de zeilen voorgelegd aan de wieken. De achtkantige kap van deze bovenkruier draaide alleen met het wiekenkruis in het horizontale vlak. Beneden beschikte men op deze manier tevens over een grote ruimte om met paard en wagen naar binnen te kunnen rijden. De stellingmolen was gebouwd van hout en met riet gedekt terwijl de zaagschuren met pannen waren gedekt. De molen werd gebruikt voor het zagen van balken en planken uit boomstammen. In de Leeuwarder Courant stond op 12 november 1879 dat de gebroeders Romein afstand deden van de windhoutzaagmolen, ‘hebbende 3 sleeden en vlugt met bijbehorend groot erf woonhuis en woningen, kolk en ‘Houtpôlle’. Nieuwe eigenaar werd J.T. van de(r) Wint.

Industriële bedrijvigheid

De Dokkumer Ee was een belangrijke scheepvaartverbinding in het noorden van Friesland. Een druk bevaren route van Harlingen naar Dokkum en vice versa. Het maakte onderdeel uit van de verbinding tussen Leeuwarden en de Waddenzee, via het Lauwersmeer. Naast de molen ontstonden er scheepswerven aan de Dokkumer Ee. Aan het begin van de Dokkumer Ee lag de scheepswerf van Hessel en Lucas van der Kolk aan de Eestraat welke later werd overgenomen door Ate en Pieter Huberts Westerhuis uit Wartena.

Een andere scheepstimmerwerf lag echter direct naast de ‘Houtpôlle’ ten noordoosten van de houtzaagmolen, ter hoogte van waar nu het zorgopvang gebouw De Terp, naast de Eebrug, staat. Een stukje logische industrieel vervolg. Het hout dat afkomstig was van de molen kon gebruikt worden voor onder andere de schepen, die op traject Harlingen - Leeuwarden - Dokkum beurt vaarden. Naast de ‘Houtpôlle’ werd al snel gesproken over de ‘Wetterpôlle’, de scheepstimmerwerf met de naam 'Het onvolmaakte schip' aan de scheepshelling 'Krom en Regt' en een groepje naastgelegen huizen. Het waren twee van de in totaal 105 scheepshellingen die Friesland rijk was.
In deze bedrijvige omgeving aan de rand van de stad, werden behalve scheepshellingen ook andere industrieën gevestigd. Genoemd is al de houtzaagmolen, maar er waren ook kalkovens en een trasfabriek van de firma Roelof Vermeulen en Zonen. Er was een harpuiskokerij, verniskokerij en de plantaardige olie- en vettenfabriek van T.J. Alberdingk en Zonen. Harpuis was een langdurig gekookt mengsel van onder andere pek, hars, lijnolie, witkalk en zwavel. Dit harpuis diende ter conservering van de houten scheepshuid en de rondhouten. Sommige schippers gebruikten harpuis later ook op kaal staal. Daarnaast was er de pannenbakkerij in vereniging met een fabriek voor estriken (plavuizen) en vloeren en een cementmolen door paarden gedreven. De fabriek voor dakpannen en estriken was van de familie Ter Horst, van 1844 tot 1979. Willem ter Horst bezat deze al sinds 1813 voor de verwerking van de wortels van de cichoreiplant tot koffiesurrogaat. Grote tegenslag kende de fabriek toen de voorraadschuur van de fabriek in november 1916 geheel uitbrandde. De familie liet voor zijn arbeiders in totaal 24 woningen bouwen in de nabijheid van deze fabrieken. De bestrating deugde toen nog niet en de dichtgegroeide sloten waren ‘s zomers stinkende mestvaalten. Veel van de mensen woonden in gloppen, nauwe straatjes, en stegen en sommige huisjes stonden midden in het voetpad. Aan de overkant van het water, aan de Dokkumertrekweg, stond de cichoreifabriek van M.A. Bokma de Boer. Deze fabrikant bezat eveneens woningen en percelen grond aan de Oldegalileën. In 1840 werd vergunning verleend ‘tot het oprichten van een lokaal bij de Dockumer Ee tot het doen slagten van runderen en het intonnen van vleesch en spek’, een Tonslagerij. In 1877 kwam er nog een steenhouwerij bij. Met de bouw van het complex ‘Eigen Brood Bovenal’, 64 woningen, in 1888, kreeg de Oldegalileën een fraai visitekaartje. In deze oude volksbuurt staan nu o.a. nog deze karakteristieke arbeiderswoningen uit de 19e eeuw. De meeste straten in de wijk zijn echter aangelegd en bebouwd in het begin van de 20e eeuw.

Johannes de Roos Jsz

In het jaar 1901 begon Johannes de Roos Jsz op 29 jarige leeftijd voor zichzelf als werfbaas op een helling aan de Dokkumer Ee. Johannes de Roos stamde uit een Fries scheepsbouwergeslacht in Leeuwarden. Het vak scheepstimmerman had hij geleerd bij vader Jan de Roos in de Poppebuurt bij de Poppebrug aan ’t Vliet in Leeuwarden, destijds een centrum van min of meer industriële bedrijvigheid in Leeuwarden. Heden ten dage staat er een filiaal van Leen Bakker op het ‘Winkelpark De Centrale’. Op de werf aan ’t Vliet werden kleinere schepen gebouwd, zoals pramen en snikken. Eerst in hout later in ijzer. Daarnaast vond er veel onderhoud plaats aan schepen.

De scheepstimmerman Johannes de Roos Janszoon (*10-02-1871 te Leeuwarden - †28-01-1937 te Leeuwarden) trouwde op 29 mei 1901 met een schippersdochter uit Vrouwenparochie, Tjitske Sjoerds Siegersma. Tjitske (*13-10-1872 te Vrouwenparochie - †26-10-1932 te Leeuwarden) kwam uit een gezin waar veertien kinderen werden geboren, waarvan zes niet lang hebben geleefd. Haar vader, schipper Sjoerd Douwes Siegersma (*01-05-1835 te Leeuwarden - †01-02-1911 te Vrouwenparochie), voer vanuit de Bildtse Parochies, de verzamelcentra voor toenemende handel in Friese aardappelen, naar Franeker, Dokkum en Leeuwarden. Zijn schip had hij in onderhoud bij De Roos aan de oostzijde van Leeuwarden. Een zeer fraaie buurt met vele fabrieken en meerdere scheepswerven. Zo zal Johannes Tjitske hier getroffen hebben. Tjitske en Johannes hadden voor hun trouwen vier jaar samengewoond, zo blijkt uit het bevolkingsregister waaruit te lezen valt dat Tjitske op 30 september 1897 vanuit Beetsterzwaag in Leeuwarden bij Johannes werd ingeschreven. Zij kregen op 1 maart 1902 een zoon, vernoemd naar Johannes zijn vader, Jan. In 1906 volgde op 5 mei de geboorte van dochter Hendrika, vernoemd naar Tjitske haar moeder, Riekje Thomas Mulder (*27-10-1837 te Zwaagwesteinde - †27-12-1924 te Vrouwenparochie).

Jan van der Meijden

Ook Jan van der Meijden (*19-07-1872 te Hedel - †15-06-1969 te Leeuwarden) stamt uit een scheepsbouwergeslacht. Jan zijn grootvader Dirk was scheepsbouwer in Haaften (Gelderland). Jan van der Meijden zijn vader Hendrik (*27-05-1830 te Tiel - †20-01-1922 te Delft), geboren in Tiel, was ondernemer in schepen en scheepsgoederen. Daarnaast werd hij eigenaar van een transportbedrijf in Hedel. Hij hertouwt op 14 april 1880 met Johannes zijn tante Wilhelmina van Alberda (*17-10-1839 te Leeuwarden - †09-05-1925). Een half jaar eerder was Jan zijn moeder Hendrina Johanna Maassen van den Brink (*11-01-1831 Rheden- †21-09-1879 te Delft) op achtenveertig jarige leeftijd in Delft komen te overlijden. De zorg over drie kleine kinderen viel Hendrik zwaar in combinatie met de uitoefening van zijn beroep. Hendrik van der Meijden was commissionair van beroep geworden en naar Delft getrokken. Hij adviseerde, beheerde en voerde opdrachten uit voor eigen rekening en voor cliënten onder andere op de Beurs. Zo zal hij ook in opdracht van een schipper uit Zuid-Holland in contact gekomen zijn met scheepsbouwer Jan de Roos en daarmee met Wilhelmina. Johannes zijn zusje Trijntje (*06-05-1876 te Leeuwarden - †07-10-1938 te Leeuwarden) trouwde op 23 juli 1902 met de zoon van Hendrik, Jan van der Meijden. Het klikte goed tussen Johannes en Jan en ze deden al gauw zaken met elkaar, nadat Johannes de scheepswerf had aangekocht.

‘Scheepsbouw- en reparatiewerf De Hoop’

Op 16 januari 1901 kocht scheepstimmerman Johannes de Roos van Mr. timmerman en aannemer/jaloezieënfabrikant Albert Ooiman een woning met erf, scheepstimmerwerf en schuur met de helling 'Krom en Regt' aan het Blokkepad op Oldegalileën 247 te Leeuwarden en “aldaar op den kadastralen legger bekend in Sectie F nummer 2165 als huis, scheepstimmerwerf en erf ter grootte van acht aren negentig centiaren. Voor den prijs van drieduizend gulden".

In het historisch onderzoek van Sicco van Albada komen we in 1613 schuitmaker Dirck Dircks op de Olde Galileeën al tegen. Of hij op dezelfde lokatie werkzaam was is nog niet vastgesteld. Er werden op deze scheepstimmerwerf eind 18e eeuw door Douwe Gerbrands Dijkstra (*1756 te Leeuwarden - †04-03-1817 te Leeuwarden) al houten pramen, snikken en kofschepen voor de aardappelvaart gebouwd. Er was veel werk waardoor er in 1797 bij zijn twee timmerschuren een nieuwe kanthelling op zijn helling kwam. Na zijn dood nam zijn vrouw Antje Johannes Beekmans (*1762 te Leeuwarden - †17-04-1847 te Leeuwarden) de zaak over, ondanks dat er een aantal maal geprobeerd werd om de helling te verhuren of te verkopen. De familie deed de werf op 7 december 1846 net na Sinterklaas van de hand voor fl. 1.050,-. Opvolger was Jan de Jong, een bouwer van schuite- en veerschepen, totdat op maandag 12 november 1877 de gemeente Leeuwarden vier percelen guardeniersland aankocht bij de Oldegalileën voor fl. 13,624 en ook de woning met werf op Oldegalileën bij samenvoeging voor fl. 1.901,- overnam. Jan de Jong, die ook een werf op ‘t Vliet erbij had gekregen, zal zijn zwaartepunt van zijn werkzaamheden daar naar toe hebben verplaatst. De woning en scheepstimmerwerf werden daarna verhuurd aan H.H. Laverman. Deze verzocht in juli 1885 de Raad der Gemeente Leeuwarden om de huur te mogen overdragen aan Ate Pieters Westerhuis (*23-05-1841 te Wartena). Dit verzoek werd in augustus 1886 gehonoreerd en de scheepstimmerwerf op Oldegalileën werd voor de tijd van 3 jaren onderhands verhuurd aan Ate Pieters Westerhuis voor fl. 132,- per jaar. Voor Westerhuis bleek er echter na vier jaar al geen voldoende bestaan meer mogelijk aan de Dokkumer Ee en hij vertrok uit Leeuwarden.

Maandag 4 febr. 1889 vond er bij Wagenaar in ‘het Friesch Koffijhuis’ aan de Wirdumerdijk te Leeuwarden een publieke verkoop van vastigheden plaats. Finaal werd verkocht de huizinge, nr. 247, met scheepstimmerwerf, timmerschuren enz. op Oldegalileën in 5 perc. Het 1e perceel werd gekocht door J. de Jong, het 2e perceel door R. Vermeulen en het 3e, 4e en 5e perceel bij samenvoeging door Albert Ooiman voor fl. 1.719,-.
In de vergadering van de Gemeenteraad van Leeuwarden van dinsdag 26 november 1889 werd besloten door de raad tot ontbinding van de bij acte van de op 23 maart 1887 aangegane huurovereenkomst door Westerhuis, waarbij door de gemeente, voor de tijd van drie jaren, van 12 mei 1887 tot 12 mei 1890, aan Ate Pieters Westerhuis was verhuurd de huizinge met scheepstimmerwerf.
Albert Ooiman had het bedrijf op 14 augustus 1889 officieel overgenomen van Albert Pieters Westerhuis om de gebouwen naast de houtzaagmolen als productie en opslagruimte te gebruiken. Deze waren nodig nadat Albert Ooiman uit een samenwerkingsverband met Hendrik Germeraad was gestapt en vanaf januari 1888 voor eigen rekening zijn bedrijf voortzette. Hij bleef kantoor/winkel houden in het pand aan de Kleine Kerkstraat, H21, welke hij in 1880 voor fl. 3.523,- had gekocht.

Op deze plaats bij de ‘Houtpôlle’ zette Johannes in 1901 een bedrijf voort in een tijd waarin de overgang van hout op staal in de scheepsbouw aan de orde was.

De vader van Johannes, Jan de Roos (*29-10-1837 te Leeuwarden), kwam op 11 november 1902 te overlijden. De werf aan ’t Vliet bleef doorgaan onder Jan zijn broers Roelof en Rykele. Nadat Johannes zijn grootmoeder Sijtske kwam te overlijden werden de nalatenschappen van grootvader Luitzen Roels de Roos (*1811 te Leeuwarden - †01-01-1878 te Leeuwarden) en Sijtske Jans Visser (*03-12-1814 te Leeuwarden - †12-02-1903 te Leeuwarden) verdeeld. Johannes had van Jan van der Meijden en Trijntje, toen nog wonende in Delft, de volmacht gekregen om hun zaken in de boedelscheiding te behartigen. Deze werf aan ’t Vliet hield op te bestaan. Roelof ging verder in het verlengde van ’t Vliet aan de Kleyenburg 76. De zonen van Roelof, Luitzen (*05-05-1870 te Leeuwarden) en Sietse (*17-06-1877 te Leeuwarden), hebben hier vanaf 1912 de scheepswerf Gebr. De Roos gehad. Jan en Trijntje kwamen op 8 juni 1903 naar Leeuwarden om te gaan wonen op de Oldegalileën nr. 207. Op 5 februari 1906 kocht zwager Jan van der Meijden zich voor fl. 1.500,- in en werd zo mede-eigenaar. De nieuwe werf kreeg de naam ‘Scheepsbouw- en reparatiewerf De Hoop’. Johannes de Roos Jsz en Jan van der Meijden, zwagers, waren nu beide Leeuwarder hellingbazen, die aan de Dokkumer Ee hun beroep uitoefenden.

Geluidshinder

De werf was uitgerust met drie sleephellingen en twee houten schuren gebouwd op gemetselde klippen van gemiddeld 70 cm hoog. De hoogte van de schuren van de grond tot de naald van de daken bedroeg zeven meter en de lengte 13 meter.
In de begin jaren werden er alleen nog houten schepen gebouwd zoals botters, zeiljachten, kajuitjachten en BM-ers. Johannes de Roos vond het in 1903 tijd om ook over te stappen op de ijzerbouw. Dit werd mede ingegeven door de komst van Jan van der Meijden in de familie en op de werf. Op 6 mei 1903 vroeg Johannes een hindervergunning aan voor uitbreiding van de scheepstimmerwerf voor het bouwen van ijzeren schepen. De noordelijke schuur moest hiervoor ingericht worden volgends de bijlage bij de vergunningaanvraag. Hiervoor diende een boormachine, ponsmachine, knipmachine, buigmachine en een beweeg- of verplaatsbare veldsmidse voor het gloeien van de klinknagels geplaatst te worden. Er werd echter stevig bezwaar tegen gemaakt door de omwonenden, al waren er ook die voorstander waren. Er werden mondelinge en drie schriftelijke bezwaren ingediend waaronder één van molenaar J.T. van de Wint. Hij bracht naar voren dat zijn vrouw nogal zwak was en reeds nu al hinder ondervond van de houtbouw en dat de geluidshinder door de ijzerbouw nog groter zou worden. Het college van B&W van Leeuwarden was gevoelig voor het bezwaar en weigerde op 30 mei 1903 de vergunning te verlenen aan de scheepswerf.
Johannes ging echter in beroep. Hij was er vast van overtuigd dat de vergunning verleend zou worden gezien de Hinderwet van 1875. Een paar jaar eerder was nog een gelijke vergunning aan collega Oebele Pieters van der Werff op Schilkampen verleend. Johannes verzocht het college een nauwlettend onderzoek te houden op zijn werf op ongeveer een kwartier gaand van de eigenlijke stad. Het bewerken van metalen platen leverde volgens hem wel geluid op, maar dit zou beperkt blijven tot eenderde van de gehele werktijd. De woningen aan de werf gelegen waren gebouwd ten dienste van personeel dat op de werf werkzaam was. Deze mensen hadden nooit hinder ondervonden door het bewerken van hout. De bezwaren waren afkomstig van bewoners die op afstand van de werf woonden. Johannes stelde dat de gemeente ook voorwaarden had kunnen overwegen, als dat de machines die geluid veroorzaakten als het buigen, kloppen en klinken van de metalen platen niet in de bedoelde noordelijke schuur opgesteld zouden moeten worden. Hij speelde ook nog in op het gevoel van de heren van de gemeente. Zij zouden met de weigering van de vergunning de genadeslag toebrengen aan een industrie die eertijds bloeide in Leeuwarden en bij de tegenwoordige toestand van de scheepvaart het weigeren van de vergunning gelijk zou staan met de vernietiging van zijn bedrijf.
Het zou duren tot 28 november 1903 alvorens er een Koninklijk Besluit genomen werd door de Raad van State, Afdeling voor de Geschillen van Bestuur, ondertekend door De Minister van Waterstaat Handel en Nijverheid, Mr. Johannes Christiaan de Marez Oyens in het kabinet Kuyper. Hij concludeerden dat indien aan gestelde voorwaarden voldaan werd de vergunning alsnog voorwaardelijk behoorde te worden verleend.

De voorwaarden klonken als volgt:
1e:
Dat het bouwen en herstellen van ijzeren schepen alleen geschiede op de werf te zuiden van de loodsen en in de zuidelijke loods;
2e:
Dat in de noordelijke loods niet anders geplaatst en met handkracht in werking gesteld worden, dan knip-, boor-, en ponsmachine of ander geen belangrijke gedruis veroorzakende werktuigen;
3e:
Dat de veldsmidse, alsmede buigmachines alleen buiten of in de zuidelijke loods geplaatst en gebruikt werden;
4e:
Dat de zuidelijke en noordelijke loodsen vanaf de grond, tot sluitend onder de muurplat door een muur, dik tenminste één steen oftewel 20 cm werden gescheiden;
5e:
Dat in deze scheidingsmuur alleen vaste lichtramen, de onderkant niet lager dan 2,50 m boven de vloer van de loods, en slechts één deuropening, breed ten hoogste 1,50 m aan het west zijde in die muur worden aangebracht.

Hier kon Johannes alleszins mee instemmen. De aanpassingen van de loods werden meteen doorgevoerd en de machines werden aangeschaft. Op 25 januari 1904 schrijft Johannes aan B&W dat hij de gestelde voorwaarden had uitgevoerd en naar zijn bescheiden mening aan de gestelde bepalingen had voldaan en daardoor voornemens was om met de ijzerbouw een aanvang te maken.
Op 30 januari 1904 melde de inspecteur van Woningtoezicht aan de heren B&W van de gemeente Leeuwarden dat Johannes de Roos inderdaad aan de voorwaarden, genoemd in het Koninklijk Besluit, had voldaan en er dus geen bezwaar tegen bestond dat met de bouw en het herstel van ijzeren schepen op de werf werd aangevangen. In opdracht ean T. van der Ley uit Marrum werd meteen gestart met het eerste skûtsje ‘De Goede Verwachting’ [L 774 N]. Het was een groot schip met een lengte van 16,83 m en een breedte van 3,54 m. Het laadvermogen bedroeg 35,220 ton.

Nadat Jan op de werf was toegetreden was er een duidelijke rolverdeling tussen de zwagers. Johannes hield zich voornamelijk bezig met de planning, calculatie en de organisatie op de werf. Jan was de technicus, die thuis de tekeningen uit het hoofd maakte, zittend op zijn knieën op de huiskamervloer. Op de werf begeleide Jan de arbeiders. Zelf deed hij volop mee in het arbeidsproces van het staal- en van het houtwerk.

Uit een notariële akte, van 12 februari 1906, blijkt dat de inventaris van de werf bestond uit drie hellingen met slepen, twee vaste bokken met drie schijven, één hijsblok met drie schijven, vier sleephaken, zes kettingen, vijf domme krachten, draaispil met drie spaken, staaldraad met rol en onderstel, stopblokken met kantslepen, een takel, tien schragen en een stoptros. Dit en de scheepswerf met woning en erf stelde de zwagers als onderpand voor een geldlening van fl. 5.500,- bij Sjoukje van Mesdag te Leeuwarden. De geldlening zal afgesloten zijn om de zwagers de mogelijkheid te bieden het materiaal dat nodig was bij het bouwen van schepen aan te schaffen. Al eerder had Johannes de Roos bij de familie Van Mesdag aangeklopt om geld ten leen op te nemen. In 1901 fl. 3.000,- bij Jacob van Mesdag, agent van de Nederlandsche Bank, en in 1902 fl. 2.900,- bij Rinskje van Mesdag, weduwe van Eilard Attema die eveneens agent van de Nederlandsche Bank was. De te betalen intrest was 4,5% per jaar, waarbij de scheepstimmerwerf met woning, schuur en erf als onderpand dienden. Deze vorm van bedrijfsvoering zie je in de daarop volgende jaren terugkomen. Telkens wanneer er orders binnen waren voor het bouwen van grotere schepen werd er een lening afgesloten. Naast deze en nog diverse leningen bij Sjoukje van Mesdag, waren er leningen van fl. 2.300,- op 4 november 1911 bij Jan de Boer te Leeuwarden en van fl. 3.000,- op 2 juni 1915 bij de Leeuwarder Bankvereniging.
Naast nieuwbouw vond er ook veel reparatiewerk plaats. Het was een goede vorm van klantenbinding en er werd bovendien goed aan verdiend. In het seizoen maakten de mannen lange werkdagen: van ‘s morgens half 6 tot ‘s avonds half 9 waren zij druk in de weer. Alleen voor het middagmaal werd een wat langere pauze gehouden. Als er een schip op de helling moest, werden de sleden en de hellinggoten eerst goed vet gemaakt. Het hellingen van de vaak zeer zware schepen gebeurde met mankracht. De mannen die het schip omhoog moesten draaien waren meestal in een oogwenk te vinden. Het waren meestal rondhangende arbeiders of andere lieden die ‘op een karweitje liepen’. Als de slede onder het schip was vastgemaakt, dan kwam de takel erop, een sterke tros die door de drie schijfsblokken liep. Het losse eind van het touw werd om de kop van de draaispil gelegd. Één man moest het touw dan stijf vasthouden, terwijl de anderen aan de drie spaken van de draaispil draaiden. Na een half uur stond het schip droog; het meest tijdrovende en secure werk waarbij de slee onder het schip gebracht werd hadden de ervaren mannen van de werf al van te voren geklaard. De mannen die meehielpen bij het opdraaien deden dat doorgaans voor een sûpke (borreltje). Jan van der Meijden vertelde later aan zijn kleinzoon Hendrik regelmatig hoe de schepen te water gelaten werden. Het was daarbij belangrijk dat de klossen gelijktijdig onder het schip vandaan werden geslagen, anders zou het schip scheef van de dwarshelling afgaan en dus verkeerd in het water terecht komen.

De werf ‘De Hoop’ lag in een echte Leeuwarder volksbuurt. Wonen dicht bij het werk was belangrijk, omdat vrijwel iedereen in die tijd naar zijn werk moest lopen. De arbeiders die op de werf werkten woonden in de nabijheid van de helling. Namen als D.B. Boonstra, David Douwes Dijkstra en J. de Jong zijn arbeiders die nabij de scheepswerf woonden. Door de overgang op het staalijzer werd er, zoals al eerder vermeld, in 1903 een Hindervergunning door de zwagers aangevraagd. Er werden andere machines en werktuigen gebruikt voor het knippen, buigen, ponsen en het klinken. Voornamelijk het pons- en klinkwerk van de stalen schepen leverde nogal wat geluidsoverlast op bij de nabije bebouwing. Met grote hamers werden de platen in hun vorm geslagen en werd er door twee man op de roodgloeiende klinknagels geslagen welke door een klinkjongen op hun plaats werden gehouden. Hierbij is Jan van der Meijden door een opspattende klinknagel aan zijn linkeroog blind geworden.
Op 1 september 1904 werd voor hun arbeiders een ongevallenverzekering door de zwagers afgesloten bij de ‘Nationale Werkgevers Verzekeringsbank tegen Ongevallen’ te Utrecht. De Nationale Werkgevers Verzekeringsbank (1901-1932) werd door een aantal fabrikanten opgericht in 1901. Aanleiding was de inwerkingtreding van de industriële Ongevallenwet. De bank had ten doel: “Het sluiten van verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen in het bedrijf overkomen” (uit: statuten, 1901). Het kapitaal van de bank, dat in Utrecht was gevestigd, bedroeg fl. 500.000,-, verdeeld in aandelen van fl. 1.000,-. De vennootschap werd bestuurd door een directie, onder toezicht van een college van commissarissen die uit hun midden een Raad van Toezicht koos, die het dagelijkse toezicht op het bestuur onder haar hoede had. De bank was gelieerd aan verzekeringsmaatschappij Utrecht. Eén van de oprichters was Willem Hendrik Verloop, industrieel commissaris van ‘De Utrecht’. In 1904 was Anthonius van Duijn directeur. Mogelijk is de portefeuille overgedragen aan een andere verzekeraar, wellicht Centraal Beheer.
Het afzetgebied van de beide zwagers lag niet alleen in Friesland, maar ook in Zuid-Holland. Ze bouwden en repareerden allerlei soorten schepen, zoals salonboten, kruisers, sloepen, pramen, schouwen, opdrukkers en ‘Westlanders’ voor Hollandse en ‘Skûtsjes’ voor Friese schippers. Als we de herkomst bekijken van de schippers die een skûtsje lieten bouwen op deze werf dan blijkt dat de afzetmarkt in Friesland voornamelijk in de Noordwesthoek lag. Ook het inbouwen van motoren en fundaties voor motoren werden gedaan voor Kromhout Goedkoop uit Amsterdam en A. Fontijne Machine & Motorfabriek uit Schiedam eind jaren twintig. In het gemeente archief van het Historisch Centrum Leeuwarden (HCL) berusten nog een aantal tekeningen van in het eerste kwart van de vorige eeuw gebouwde schepen. Onder de tekeningen bevinden zich helaas geen van skûtsjes. Wel van de inbouw van een motor voor Terwisga uit Heerenveen in opdracht van N.V. Motorfabriek Deutz Rotterdam (nr. 4065), d.d. 09-01-1929. In 1933 werd er voor Gemeentewerken een brugschouw gemaakt.

Verhuur van roefschepen

Naast de nieuwbouw en het reparatiewerk hadden de zwagers ook inkomsten uit de verhuur van vrachtschepen. In Friesland was de vraag vooral naar roefschepen. De huurcontracten die werden afgesloten door De Roos & Van der Meijden zouden we tegenwoordig leasecontracten noemen. De werf was één van de eerste die het zo regelde.
Doordat er veel schippers waren die het bedrag van een nieuw schip niet ineens op tafel konden neerleggen, was het gebruikelijk dat scheepsbouwers een paar jaar ‘geld onder het schip’ lieten zitten. Op deze werf zien we dat voor het eerst in 1905. Schipper Rienk Lieuwes van der Veen uit Terhorne huurt het tjalkschip ‘Landmans Welvaren’ [L 922 N]. Dit skûtsje was op 20 oktober 1905 gemeten en had met afmetingen van 14,91 m lang en 3,37 m breed, een laadvermogen van 27,027 scheepston. Van der Veen ging een huurcontract aan voor 15 jaar. De totale huurprijs van fl. 1.475,- moest in jaarlijkse termijnen van fl. 100,- worden afbetaald. De schipper voer ‘op ‘e skea’, voor eigen risico, en met een bij elke aflossing groeiend eigendom. Indien na afloop van het huurcontract aan alle contractuele verplichtingen was voldaan, kon Van der Veen het schip voor fl. 1,- overnemen. Deze manier van aflossing kom je in tal van aktes tegen en elke keer kon de desbetreffende schipper het schip aan het eind van de huurperiode voor fl. 1,- overnemen.
Van der Veen herkende de snelle eigenschappen van het schip en besloot in 1908 er wedstrijden mee te gaan varen. Op woensdag 16 september van dat jaar zeilt Van der Veen een hardzeilwedstrijd van de Zeilvereniging Frisia in Grou uit. Winnaar die dag werd Broer de Vreeze uit Bakhuizen met ‘De Goede Hoop’. Deze schipper zeilde in die jaren altijd mee om de prijzen. Van der Veen viel niet in de prijzen, waardoor hij ook niet gemotiveerd raakte om zich ooit nog een keer in te schrijven.
Op 8 oktober 1909 werd o.a. het 18 scheepston houten roefschip ‘De Vier Gebroeders’ met zeil, treil en volledige scheepsinventaris met een huurprijs fl. 265,-, aan schipper Tiele Pieters Miedema te Leeuwarden verhuurt. Miedema huurde het schip voor twee jaar en negen maanden. De aflossing kostte fl. 100,- per jaar, te voldoen in het najaar gedurende de bietencampagne. Het houten roefschip werd o.a. verhuurd voor het vervoer van zand, grind, suikerbieten, cichoreiwortels en voor toenemende handel in Friese aardappelen. De bieten werden in Leeuwarden overgeladen in grotere schepen die ze vervolgens naar de suikerfabrieken in Groningen en Vierverlaten vervoerden. Agent in suikerbieten in Leeuwarden was K.J. Schat. Miedema diende in de bietencampagne contractueel fl. 4,- per week aan Schat over te dragen. Daarnaast werkte Miedema voor de firma R. Vermeulen bij het tichelwerk te Wijns. Hier diende Miedema in de overige periode fl. 2, - per week over te dragen.
Zes jaar nadat deze schipper al een schip van deze werf had afgenomen, komt hij weer op de werf. Op 3 oktober 1911 verhuurde Johannes en Jan weer een op de werf gebouwd nieuw staalijzeren roefschip met zeil, treil en volledige scheepsinventaris voor 10 jaar aan schipper Rienk Lieuwes van der Veen uit Terhorne. Dit schip was net gemeten [L 1271 N] en had een laadvermogen van 30,057 scheepston met afmetingen van 17,19 m bij 3,65 m. Het kreeg dezelfde illustere naam als het eerdere schip van Van der Veen, ‘Landmans Welvaren’. Het ‘leasebedrag’ was nu voor een circa 3 ton zwaarder schip fl. 1.000,-. De aflossing bleef fl. 100,- per jaar. De reden van de lagere prijs is niet bekend. Ook dit huurtermijn zou de schipper niet uitdienen. Nog geen vijf jaar later, in 1915, kocht hij van de Gebroeders Roorda van ‘De Piip’ in Drachten het schip ‘De Jonge Pieter’ (19,74 m x 3,71 m) dat later als ‘Gerben van Manen’ voor Heerenveen vele kampioenschappen in de SKS-vloot zou winnen.
Het eerdere schip van Van der Veen werd al snel doorverhuurd aan carrouselhouder Jacobus Walom uit Leeuwarden. Hij huurde op 23 oktober 1911 het staalijzeren roefschip ‘Landmans Welvaren’ [L 922 N] met zeil, treil en volledige scheepsinventaris voor 14 jaar. De huurprijs voor dit schip kostte hem fl. 1.400,-.
Van de vijfentwintig skûtsjes waarvan het inmiddels bekend is dat ze op deze werf zijn gebouwd zijn achttien getraceerd.

Verhuur van vrachtmotorschepen

In Zuid-Holland onder de rook van Delft verhuurden de zwagers veel staalijzeren vrachtmotorschepen van het type Westlander. Een Westlander is een motorvrachtschip met een rond geveegd achterschip en een sterk voorover hellende voorsteven. Het type ontstond pas bij de opkomst van de kassencultuur. Het zijn schepen die speciaal gebouwd zijn voor de smalle vaarten waarbij ze gemakkelijk korte bochten moesten kunnen maken. De schepen zijn vlak en relatief smal voor hun lengte, circa 16 m, en hebben geen gangboorden. De doorvaarthoogte was door de vele bruggen in het Westland beperkt tot maximaal 1,50 meter. De verschillen in afmetingen waren o.a. het gevolg van het oorspronkelijke doel waarvoor het schip gebouwd werd. De Westlander vervoerde o.a. paardenmest en later zand, kolen en tuinbouwproducten van en naar Delft langs de trekvaartroute naar het Westland. Vanuit het centrum van Delft vertok men over de Gaag naar Schipluiden. Hier passeerde men het haventje van Schipluiden, waar het altijd vol lag met prachtige oude schepen, en de Paardenbrug. Deze brug dankte haar naam aan het feit dat hier vroeger de paarden van de ene naar de andere kant van het water moesten om hun weg te vervolgen, omdat op deze plaats het jaagpad aan de overkant verder ging. Eenmaal door Schipluiden werd via de Vlaardingervaart dan koers gezet naar de Vlieten richting Maassluis en overige grote steden.

Voordat begonnen werd met de bouw van dit type schip werd door Jan van der Meijden een houten schaalmodel gemaakt volgens de stapelmethode: vijf op elkaar gelijmde, in vorm gezaagde plankdelen. Op een werkbankje in zijn schuurtje, eerst aan de Oldegalileën en later aan de Willem Sprengerstraat, maakte hij niet gedetailleerde modellen. Alleen de vorm van de romp was te zien met berghout en naar binnen vallende boeisels. Ook voor ander scheepstypen als motorjachten deed Jan dit veelvuldig. Nadat de werf gesloten was maakte Jan voor zijn kleinzonen nog vaak scheepsmodellen om ermee te gaan varen in de Dokkumer Ee.

De voor de Westlanders bestemde één cilinder ruw oliemotoren, 14-16 pk, die er op de werf ingezet werden, kwamen van de firma N. Timmer & Co uit Meppel. Deze motoren hadden een verbruik van ¼ liter per pk per uur. Op 23 juni 1909 werd het vrachtschip ‘Prinses Juliana’, huurprijs fl. 2.300,-, aan schipper Hendrik de Blois te Schipluiden verhuurt. In Schipluiden werd de werf hoog aangeschreven. Meerde schippers, zoals Gerrit de Bruin van de ‘Arie’ (40 scheepston, 1914) en Pieter Moerman van de ‘Nooit Gedacht’ (29 scheepston, 1914), kwamen bij de zwagers om een schip te huren. De respectievelijke afbetalingstermijnen waren 9,5 jaar voor fl. 2.350,- met een afbetaling van fl. 125,- per jaar en 11 jaar en 27 dagen voor fl. 2.200,- met een afbetaling van fl. 200,- per jaar. Maar ook uit Rozenburg en Honselersdijk vonden ze de weg naar Johannes en Jan. Schipper Jan Jans van der Linde huurde in 1915 het schip ‘Niets zonder Gods zegen’ ([L 1389 N], 49,685 scheepston) voor fl. 3.150,- met afbetalingstermijn over 13 jaar, waarbij elk half jaar fl. 125,- werd afbetaald. Op 6 juli 1921 werd aan schipper Arend de Zeeuw nog het schip, ‘De Drie Gebroeders ƒ¹ƒ¹’ ([L 1522 N], 29,158 scheepston), voor fl. 8.000,- verhuurt, met een afbetalingstermijn over 11½ jaar met een afbetaling van fl. 350,- per half jaar. Ook hier kon de desbetreffende schipper het schip aan het eind van de huurperiode voor fl. 1,- overnemen. Beide schepen waren op de werf gebouwd. In de moeilijke jaren twintig werden nog twee staalijzeren vrachtmotorschepen op de werf gebouwd. In 1923 werd de 32,987 scheepston metende ‘Maria Petronella’ gebouwd en met complete scheepsinventaris en een 14 pk Kromhout motor (nr. 2306) voor 15 jaar en 10 maanden verhuurd aan schipper Petrus Marinus Zuiderwijk uit Poeldijk voor fl. 7.900,-. In 1925 werd de 20 scheepston metende ‘Twee Gebroeders’ gebouwd en met complete scheepsinventaris en een 13 pk Bergsma motor (nr. 2151) voor 7 jaar en 6 maanden verhuurd aan schipper Thomas Kroon uit Overschie voor fl. 3.750,-. Er is bij HCL nog een tekening aanwezig betreffende de fundatie van de motor. De betaling van de huurprijs moest door beide schippers geschieden in halfjaarlijkse termijnen van ten minste fl. 250,- en indien ze na afloop aan alle contractuele verplichtingen hadden voldaan konden ook zij het schip voor fl. 1,- overnemen.
Vele Westlanders zijn net als skûtsjes later gebruikt als woonboot en door liefhebbers weer teruggebracht in de oorspronkelijke staat.

Wedstrijdschepen

De schippers die op deze werf een schip lieten bouwen kwamen over het algemeen niet uit in wedstrijden. Pas in 1968 kwam een skûtsje van deze werf in de SKS-vloot, het 'it Doarp Huzum' (1911 [L 1255 N] zo als nu blijkt i.p.v. 1916). Dit skûtsje van de Stichting Vriendenclub it Huzumer Skûtsje is het enige skûtsje dat nu nog binnen de SKS-vloot op deze werf van stapel liep. Het is een zusterschip van de tweede ‘Landmans Welvaren’ van Rienk Lieuwes van der Veen, dat in datzelfde jaar van de helling gleed. In de huidige IFKS-vloot kennen we inmiddels de ‘Driuwpôlle’ (1906 [L 1006 N]) van Kees Jonker, de 'Jonge Rein' (1907 [L 1030 N]) van Erik Jonker, de ‘Hoop en Vertrouwen’ (1913 [L 1354 N]) van Sikke Heerschop met schipper Tsjibbe van der Veer, de ‘Eelkje II’ (1914 [L 1379 N]) van Jeroen de Vos en de ‘Oant Moarn’ (1916 [L 1271 N]) van Jacob Huisman waar diverse schippers mee varen. Daarnaast hebben nog een aantal skûtsjes van deze Leeuwarder werf meegevaren door de jaren heen. Dit waren destijds de ’Vrouwe Petronella’ (1912 [L 1307 N]) van Jildert Zuidema, welke nu als de ‘Sjouwer’ in eigendom is van Peter de Koe, en de ‘Twa Bruorren’ (1916 [L 1433 N]) van Louwrens Kuijpers.
Allemaal fraaie schepen die mee kunnen strijden in de kampioenschappen. Lodewijk Meeter (pake Loadewyk) werd met zijn skûtsje 'it Doarp Huzum' in 1970 en 1971 kampioen. Jan Bakker werd met de ‘Driuwpôlle’, toen nog ‘Hollandse Nieuwe’ geheten, in 1985 kampioen en Jeroen de Vos werd met de ‘Eelkje II’ in 2004 kampioen van de A-groot. Als vrachtschip voer de ‘Eelkje II’ destijds op de lijn Dokkum - Leeuwarden. Het stond in die dagen al wel bekend als een snel schip. En Erik Jonker plaatste zich in 2008 met de 'Jonge Rein' ook in het rijtje van kampioenen door kampioen in de C-klasse van de IFKS te worden.
Naast snelheid waren deze skûtsjes pronkstukjes. Zo was het skûtsje ‘Twa Bruorren’ op 14 april 2004 het eerste nautische monument dat na beoordeling door de Ligplaatsen Commissie van de Stichting Nautische Monumenten toegelaten werd tot de Museumhaven Willemsoord in Den Helder. Als bedrijfsvaartuig had dit skûtsje altijd vracht vervoerd in de provincies Groningen, Friesland, Drenthe, Noord- en Zuid-Holland. Dit nog originele schip, met nog geklonken puttingen voor o.a. bakstagen, werd jaren bewoond door Bud Geldhoff aan de Zwet in Schermerhorn. De ‘Jonge Rein’, gerestaureerd door zijn bemanning in 2006-2007 volgens de scheepsbouwtekening van Frits Johannes Jansen, werd in 2007 nog als winnaar van de originaliteitprijs binnen de IFKS uitgeroepen.

Teloorgang

‘De Hoop’ lag eveneens midden in een gebied vol bedrijvigheid. Waar water was, zoals hier de Dokkumer Ee, daar waren scheepswerven, werkplaatsen en molens. De molen op de ‘Houtpôlle’ werd in 1910 van zijn wieken ontdaan en sindsdien werden de zaagramen aangedreven door een 38 pk elektromotor. Tot 1911 woonde het gezin De Roos naast de werf. Wellicht door de geluidsoverlast van de elektromotor, verhuisde het gezin De Roos naar een nieuw woonhuis aan het gedeelte van Oldegalileën voorbij de 'Houtpôlle', dat officieus Blokkepad werd genoemd.
Een anekdote hierover. Alles was in gereedheid gebracht, de verhuizer kwam voorrijden, er werd hard gewerkt. Alleen: Jantje de Roos zat nog te lezen in bed, en was niet van zins daarmee op te houden. Men heeft toen Jantje met bed en al opgepakt en in de verhuiswagen gezet. Op het nieuwe adres is hij als eerste uitgeladen. En hij las nog steeds.

In 1911 werd het huis aan de Oldegalileën waar Jan van der Meijden woonde verkocht aan de broers Adrianus Beima, werkman, en Haye Beima, militair ziekenoppasser. Ook Jan van der Meijden ging op enige afstand van de werf wonen op de Oldegalileën nr. 181, gekocht van onderwijzer Ernst van der Laan.

In enkele jaren tijd voltrok zich een stille revolutie in de zeilende schipperswereld. De hele Nederlandse scheepsbouw werd overvallen door de ernstige terugslag in de oorlogsjaren 1914-1918, toen de staalprijzen door de algehele krapte tot onbetaalbare hoogte stegen en er weinig nieuwe schepen werden gebouwd. Met reparatiewerk trachtte ze op de werf het hoofd boven water te houden. De opleving van na 1918 bleek van korte duur. Dat jaar al daalde de vrachtprijzen, en het zou nog veel erger worden na 1921. Voor de schipperij begon toen een lange crisis, die uiteindelijk de binnenvaart onder zeil zou smoren. En met dit alles was er nog de komst van de vrachtauto, die eerst de varende beurtdiensten de nek om deed en later ook een groot deel van het vrachtvervoer. De in Friesland sterk vertegenwoordigde ‘kleine scheepsbouw’ ging er mee aan ten onder.

Op de scheepswerf van De Roos en Van der Meijden werd nog enkel een vrachtmotorschip gebouwd. Wel werden nog veel pramen voor melkvaarders gemaakt en werden er veel motorboten gemaakt. Hiermee pronkten de zwagers ook op hun bedrijfsenveloppen “Speciaal adres voor moterbooten, telefoon 5408”.
Een jaar na dat Johannes penningmeester was geworden van de ‘Friesche Scheepsbouwersvereeniging’ trad in 1921 de nieuwe Wet op de Kamers van Koophandel 1920 samen met de Handelsregisterwet 1918 in werking. Johannes en Jan waren hierdoor verplicht de werf als bedrijf te laten registreren in het handelsregister. Het Handelsregister werd beheerd door de Kamer van Koophandel. De samenwerking tussen de Kamers in Nederland werd mede bevorderd door de in 1924 opgerichte Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland. Op 6 maart 1922 schreven Johannes en Jan de werf in. Als tijdstip van vestiging werd mei 1903 aangegeven.
In 1922 werd ook J.T. van de Wint als eigenaar van de houtzaagmolen opgevolgd door de uit Birdaard afkomstige Romke Sake Timmermans. Hij had ongezien de molen gekocht, waar zeventien mannen werkten. Zij gingen naast de werf verder met de houtzaagmolen als een Elec. Zagerij en Hardhouthandel van R.S. Timmermans en Zn. J.T. van de Wint komt in 1933 te overlijden.

Het daarop volgende jaar verhuisde het gezin De Roos op 22 november 1923 van Oldegalileën (Blokkepad) 58a naar een nieuwe woning aan de Bleeklaan nr. 83. In hetzelfde jaar was het gezin Van der Meijden op 01 mei 1923 al naar de Willem Sprengerstraat nr. 52 verhuist. Hiermee creëerde ze meer afstand tussen wonen en werken.

Johannes en Jan hadden nauwe contacten in het vak. Hun vakmanschap was niet voorbijgegaan aan menig hellingbaas. In het Fries Scheepvaart Museum (FSM) zijn nog scheepsbouwtekeningen van o.a. een opdrukker en een motorsleepboot. Deze tekeningen zijn afkomstig van de werf ‘Welgelegen’ van de firma Draaisma te Franeker en gesigneerd met: "De Roos en Van der Meijden, Leeuwarden", vervaardigt respectievelijk in september 1929 en mei 1930.

Na het overlijden van Tjitske in oktober 1932, hertrouwde Johannes de Roos op 29 april 1936 met Femmigje Stam (*05-07-1873 te Zwartsluis), weduwe van Dirk van der Meijden (*22-02-1871 te Arnhem - †12-11-1931 te Delft), de broer van compagnon Jan van der Meijden. Na een korte relatie op afstand was Femmigje op 10 april 1936 in Leeuwarden komen wonen. Lang heeft Johannes niet van dit huwelijk kunnen genieten, want spoedig daarna, op 28 januari 1937, overleed Johannes. Zoon Jan de Roos bleef bij zijn stiefmoeder wonen en verzorgde haar toen zij ziek werd. Na haar dood op 25 december 1953 kwam er nog enige tijd familie bij Jan de Roos inwonen, mede i.v.m. de toenmalige woningschaarste. In 1961 bleef Jan de Roos alleen in het huis achter. Zijn enige zuster Hendrika (†2002) had al na haar huwelijk in 1936 met Mink Miedema de ouderlijke woning verlaten. Na een ziekte van enkele maanden overleed Jan de Roos op 10 januari 1986 in het Bonifatius Hospitaal te Leeuwarden.
Kleinzoon Jan Hendrik van der Boom verteld dat zijn grootvader Jan van der Meijden een goedaardig, lief en vriendelijke man was. Schoonzoon Hendrik Jan Piet van der Boom, getrouwd in 1937 met Jan van der Meijden zijn dochter Hendrina Johanna (*12-01-1910 te Leeuwarden - †25-08-1996 te Zwolle), ging eind jaren dertig speciaal naar het Westland om geld te vorderen van tuinders die niet betaalden voor het door hen aangekocht schip. Jan van der Meijden had deze drive niet, hij zei dan vaak: “Ach, die mensen hebben het ook zo moeilijk”. Dit ondanks de crisisjaren die ook zo zijn invloed had op werf.

De rechtsvorm van de onderneming was op 1 september 1935 veranderd. De werf was een vennootschap onder firma geworden, bestaande uit Johannes de Roos en Jan van der Meijden. Deze vof werd wegens het overlijden van Johannes op 28 januari 1937 ontbonden. Het bedrijf werd vanaf die datum door Jan van der Meijden voor eigen rekening voortgezet. Een jaar later kwam Jan zijn vrouw Trijntje te overlijden. Jan van der Meijden was 66 jaar en vond het na jaren van malaise wel goed zo en opvolging was er niet. Schoonzoon Hendrik Jan Piet van der Boom was van oorsprong kleermaker en begon een herenkledingzaak op de Stationsweg in Leeuwarden (nu Van der Kam Herenmode). Jan de Roos, de zoon van Johannes, was werkzaam op de secretarie van de gemeente Franeker. Hij had veel gestudeerd aan o.a. de faculteit der wis- en natuurkunde te Groningen en in 1927 legde hij met goed gevolg het doctoraalexamen in wis- en natuurkunde af, met als hoofdvak scheikunde en als bijvakken microbiologie en toxicologie. Op 19 oktober 1934 studeerde Jan de Roos af in fysische geologie. De tweede schoonzoon van Johannes, Mink Miedema, had een agenturenzaak in lingerie op het Stadhuisplein in Leeuwarden. Daarbij ook de dreiging van een Tweede Wereldoorlog werd de vennootschap op 24 februari 1937 opgeheven en werd de scheepswerf in 1938 gesloten. Jan van der Meijden ging rentenieren. Hij zou nog negen jaar moeten wachten voor een pensioenuitkering. In 1947 kwam de noodwet ouderdomsvoorziening die door de verstrekking van een uitkering aan mannen en alleenstaande vrouwen van 65 jaar en ouder zonder voldoende eigen inkomsten zorgde. Omdat zij door Willem Drees als minister van Sociale Zaken werd ingediend werd zij ook wel ‘noodwet-Drees’ genoemd. Zij was uitdrukkelijk bedoeld als een noodoplossing zolang de definitieve regeling nog niet tot stand gekomen was. In 1957 werd zij vervangen door de AOW.

Huis en erf en scheepstimmerwerf raakte in verval en werden van 1 januari 1940 af verhuurd aan de naastliggende zagerij van Fa. Timmermans en Zn. en fungeerden daarna als opslagplaats. In december 1939 verkocht Jan van der Meijden zijn inventaris. Deze bestond nog uit een plaatschaar, een hoekijzerschaar, een pons, twee veldsmidsen, een aanbeeld, twee Engelse takels, geheel compleet laschapparaat, een boormachine, twee elektrische boormachines, twee dubbele dommekrachten, een slijpsteen, een bascule met gewichten, platte hellingschouw, teer- en olievaten, gereedschap staal en mahoniehout, 12 jaloezieën in verschillende maten, enz. zo doet blijken uit een advertentie in de Leeuwarder Courant. Jan van der Meijden had een huurcontract afgesloten voor vijf jaar. Per jaar kreeg Jan fl. 416,- betaald in maandelijkse termijnen van fl. 34,67. Op 8 maart 1943 verkocht Jan van der Meijden het hele spul voor fl. 3.250,- aan Timmermans. Tot 1 januari 1945 bleef Jan nog wel het maandelijkse termijnbedrag van fl. 34,67 krijgen en kon hij gebruik blijven maken van de werkplaats voor het doen van kleine werkzaamheden zolang hij nog leefde. In 1943 werd Fa. Westra & Co, gevestigd op Schilkampen bij Leeuwarden, de vaste molenaar op de houtzaagmolen. Eigenaar bleef de Fa. Timmermans en Zn.

De ouder wordende werfbaas Jan van der Meijden vermaakte zich in zijn najaren in zijn volkstuintje bij de watertoren aan de Groningerstraatweg. Hij kreeg nu meer tijd om zich met deze liefhebberij bezig te houden. Rond 1960 kwam de gemeente met plannen om ‘t Vliet af te dammen, en het gedeelte aan de stadskant van de dam te dempen. Dit alles ten behoeve van een rondweg. In 1963 werd ‘t Vliet voor het verkeer over water afgesloten. Vele bedrijven restten niets anders dan de zaak te sluiten. Na de aanleg van de rondweg en de rotonde in de Groningerstraatweg kreeg Jan een volkstuintje in Lekkum. Bij de Oldegalileën brandde op 16 januari 1964 de molen ‘De Fisker’ vroeg in de ochtend door onbekende oorzaak geheel af. Het vuur werd aangewakkerd door een felle oostenwind, waardoor ook een aangebouwde opslagplaats in de as gelegd werd. Hierin lag o.m. nog een partij afbraakhout van de Fa. Postma te wachten op verwerking. Dit had men nog willen voltooien, voordat t.z.t. het gehele bedrijf in verband met het ook hier doortrekken van de rondweg, naar elders zou moeten verhuizen. Jan van der Meijden heeft het verdwijnen van de werf nog meegemaakt. Hij overleed op 15 juni 1969 op 96 jarige leeftijd na een kort ziektebed aan longontsteking. Jan is begraven in Lekkum naast zijn vrouw Trijntje. In 2005 is ook dochter Trijntje in het graf bijgezet.

Gevelsteen

Van de werf is de ooit op de werf ingemetselde gevelsteen bewaard gebleven. Deze steen was in het voormalige woonhuis tussen twee ramen ingemetseld. De letters DITM betekenen: “Dit Is Ter Memorie”.
Oorspronkelijk kwam de gevelsteen uit Amsterdam en kwam volgens het wijkboek van 1878 in dat jaar al voor in het pand aan de Oldegalileën. De steen is in 1922 geschonken aan het Fries Museum. In 1929 is de steen geplaatst in de oostelijke gevel van het voormalig Sint Anthony Gasthuis langs de Pijlsteeg in Leeuwarden. De stad breidde uit in oostelijke en noordelijke richting en huizen namen de plaats in van de industrie.

Laatst gewijzigd op: 12 september 2011