De werven van de ijzerbouw

Meer dan twintig van de honderdtwintig Friese werven en hellinkjes die hier tot ver in de negentiende eeuw nog bestonden hebben ijzeren schepen gebouwd. Daarnaast bouwden Groningse werven af en toe voor Friese rekening. ‘Staalijzer’ noemden ze het materiaal waarvan de vrachtschepen werden geklonken. Het in Engeland, Duitsland en Frankrijk op grote schaal geproduceerde metaal werd rond 1885, vlak voor het begin van de Friese ijzerbouw, internationaal genormeerd.

Hoewel Friesland een rijke traditie van scheepsbouw had en in Harlingen een van de eerste grote metaalbedrijven met scheepsbouw in Nederland, kwam de vernieuwing later uit het Oosten. In 1886-‘87 gingen Jacob Jans Mulder in Vierverlaten en Berend Barkmeijer in Briltil, aan het Enumatilster
(‘Imertilster’) Rak tussen Enumatil en Zuidhorn, over op de bouw van tjalkachtige ijzeren schepen. Collega’s in Martenshoek, Hoogezand, Sappermeer, Stadskanaal en Veendam waren hen al voorgegaan. Het nieuwe was in dit geval het aanbrengen van ronde, vloeiende vormen in de stugge platen. Want waterdicht klinken kon men eerder in Harlingen ook wel.
Barkmeijer plantte zijn techniek over naar het gebied waar in het Noorden de grootste markt te veroveren was, Friesland. Zijn zonen introduceerden in 1889 in Sneek de ijzerbouw. Vroege ijzerbouwers waren daarna Jan Bos in Echtenerbrug, Jelle Croles in IJlst en Klaas Draaisma in Franeker.

Van de Groningse scheepsbouwers zijn in dit overzicht alleen de Barkmeijers en vader en zoon Mulder in Vierverlaten beschreven, hoewel er ook in Leek en de Veenkoloniën af en toe wel een schip voor Friese rekening werd gebouwd. Hetzelfde geldt voor Zwartsluis en Meppel.
Laatst gewijzigd op: 7 december 2008