Dokkum, Aalzum - Gerrit Douwes Barkmeijer

Scheepsbouwwerf De NijverheidScheepsbouwwerf De Nijverheid, G. Barkmeijer
Gerrit Douwes Barkmeijer (*01-042-1853 te Stroobos - †30-03-1927 te Dokkum) heeft als oudste zoon het bedrijf van zijn vader Douwe Gerrits (*07-02-1819 te Nietap - †22-10-1898 te Stroobos) niet overgenomen. Ondanks de mindere jaren in de scheepvaart nam hij de gok om in 1880 een werf net ten westen buiten de stadsgracht van Dokkum, tegenover het Westerbolwerk, te kopen. Dit gebied behoorde tot het buurdorp Aalzum. In de zeventiende eeuw was Dokkum alle grond buiten de stadsgracht kwijtgeraakt aan de buurdorpen. Volgens de overlevering moest Dokkum dit land verkopen omdat het teveel schulden gemaakt had bij de aanleg van de Stroobosser Trekvaart, die in 1656 gereed was gekomen.
In 1925 zal Dokkum, door annexatie, weer een deel van de omringende grond, inclusief het werfterrein, terugnemen. De werf bevond zich in die tijd in een soort voorstad van Dokkum waar, behalve de werf, veel industrie was. Zoals ook een ‘paardewas’, zodat paarden met schone hoeven de stad in kwamen. Als Gerrit Douwes de werf van Hendrik Harmens Vink (*1810 – †11-07-1890) koopt is er sprake van vier hellingen. Vink was hier sinds 1853 scheepstimmerman geweest en had vele schuiteschepen, kofschepen en snikschepen gebouwd. In 1882 heeft de provincie de suikerwerkfabriek ‘De Grietman’ aan de overkant van het water de Ee gekocht, om zo de scherpe bocht tussen de Ee en de stadsgracht te kunnen afsnijden. Hierdoor ontstaat tegenover de werf een eilandje in de Ee. Gerrits Douwes koopt dit eilandje (later in de volksmond ‘het eilandje van Barkmeijer’) en zet er een werkplaats neer. Vanaf 1883 is er sprake van ‘Scheepsbouwwerf De Nijverheid, G. Barkmeijer’. Naast nieuwbouw van pramen, snikken, vissersboten, tjalken en klipperaken wordt er uiteraard veel reparatiewerk gedaan. Een bekend schip dat hier gerepareerd is, is de houten blazer WL3, die tijdens de ramp van Moddergat in 1883 strandde (Spiegel der Zeilvaart, 1 maart 1983). Gerrit Douwes handelt ook wel in tweedehands schepen, vaak zal het een ‘inruil’ geweest zijn en een enkele keer koopt hij een schip. Zodoende verhuurt hij ook wel schepen en een enkele keer bouwt hij iets voor eigen rekening. Op deze werf zijn in ieder geval ook 82 roefschepen gebouwd. Hiervan zeilen er op dit moment twee in wedstrijd verband mee in de IFKS. In de B-klasse zeilt Freddy van der Heide uit Grou met de in 1915 gebouwde ‘Drie Gebroeders’ [G 1451 N] en Piet Dijkstra uit Balk komt uit in de kleine a-klasse met de in 1907 gebouwde ‘Noarderling’ [L 1076 N].
In de twintiger jaren ging het snel bergafwaarts met de werf. Gerrit Douwes is op 30 maart 1927 overleden. Twee weken later heeft zijn zoon Anne de werf opgeheven. Hij heeft het zijn vader niet willen of durven aandoen dat hij moest meemaken dat de werf werd gesloten. In ieder geval is hij wel op een nette manier gestopt, de zaak is niet failliet gegaan met achterlating van gedupeerde schuldeisers. De crisisjaren zijn in 1927 tenslotte nog niet eens op hun hoogtepunt. In de eerste jaargang (1923) van Moorman’s Jaarboek voor Scheepvaart en Scheepsbouw staat dat de “N.V. Scheepsbouw v/h G. Barkmeijer” (telefoon Dokkum 104) over twee hellingen van 60 meter en over drie sleephellingen van dertig meter beschikt. Het lijkt aannemelijk dat de sleephellingen de oude langshellingen zijn. In de advertentie op woensdag 4 mei 1927 voor de ‘finale verkoop’, na de opheffing, worden drie langshellingen genoemd. De hellingen van 60 meter moeten wellicht meer als reclame worden gezien; elke lage verharde walkant kan in principe als dwarshelling worden gebruikt: de goten met sleden worden daar ‘eenvoudig’ opgelegd.

Laatst gewijzigd op: 18 februari 2009