Delfstrahuizen/Echten/Echtenerbrug –Jan Jans Bos

Werf aan het Hellingpad onder EhtenDe Poort van Friesland
De stichter Jan Jans Bos (*06-01-1839 te Rotsterhaule - †28-01-1910 te Echtenerbrug), getrouwd op 25-02-1865 met Pietje Andries van Fleeren (*26-02-1844 te Oldetrijne - †20-09-1916 te Oldeluimer), was een tijdgenoot van de Lemster werfbaas Pier Klaas de Boer (*1837 - †1904). Bos stapte in hetzelfde vak als zijn vader Jan Jans Bos (*okt. 1802 te St. Johannesga - †21-07-1883 te Rotsterhaule) en grootvader Jan Wolters Bos(ch) (*15-09-1772 te St. Johannesga), scheepstimmerman. De vaardigheden deed hij op bij zijn vader Jan Jans Bos, op diens werf in Rotsterhaule aan de Kerkweg. De fam. Bos zag de groeiontwikkeling van de hoogveenafgravingen ten zuiden van de Tjonger ontstaan. Voor de daarvoor bestemde scheepvaart was er financiële ruimte om een werf erbij te nemen. Jan Jans Bos vestigde zich in Delfstrahuizen op de hoek Tjonger-Pier Christiaansloot. Jan Jans had “de opstal van eene huizinge en scheepstimmerwerf, staande aan de Pier Christiaansloot aldaar” in mei 1856 overgenomen van Luite H. Nijmeijer. Hier kwam van en naar de Tjeukemeer veel scheepvaartverkeer langs voor transport van de turf uit de hoogveenafgravingen in Drenthe en Overijssel, waarvoor Zwartsluis het voornaamste knooppunt was. Schippers, die niet over de Zuiderzee bijvoorbeeld via Lemmer, konden of wilden varen, waren op deze route aangewezen. De Pier Christiaansloot stond ook wel bekend als ‘de Poort van Friesland’. Jan Jans Bos begon naast reparatie en onderhoud met het maken van houten schepen, waaronder tjalken.

Echten

Werfbaas Jan Jans BosNaar verluidt was scheepsbouwmeester Bos een begaafde vakman die in de ontwikkeling van ijzer geloofde. In 1888 kocht Jan Jans Bos percelen aan de zuidwestoever van de Pier Christiaansloot ten noorden van de brug aan de rand van Echten, later Echtenerbrug. Jan Jans Bos verplaatste in 1892 zijn bedrijf van de Delfstrahuister zuidkant van de Pier Christiaansloot/Tjonger naar het latere Hellingpad onder Echten. Deze verplaatsing had mede te maken met het feit dat er in die periode de volgende stap in de maatschappelijke ontwikkeling gaande was rond Delfstrahuizen. Zo schrijft Jan Jans Bos in de krant van Hepkema, op 15 december 1892, dat het vissen vanaf 1 januari t/m april in Friesland was verboden, terwijl dit in Overijssel niet zo was. Hij schrijft, “Wij hebben bijkans zooveel visschers in ons dorp, als arbeiders, en als het 1 januari 1893 is wat moeten de mensen dan doen? Naar het armenbestuur?” Aan de toename van het aantal mensen, die de kost verdienden met de visserij, blijkt dat er inmiddels al veel veenderij was gedaan. De veenplassen en ook de Tjonger en niet te vergeten de Tjeukemeer leverden goede vangsten op. Naast een kleine houten werf richtte deze pionier dan ook al in 1893, na een zeer strenge winter, een ijzeren werf op. De eerste ijzeren tjalk [S 1078 N] die Jan Jans Bos bouwde ligt tegenwoordig in een Museumhaven in een doode arm van de Elbe bij Borstel (D).

Scheepsbouwkundige tekenaar

Jochem Muurling (*13-11-1863 te Delfstrahuizen - †19-04-1953 te Echtenerbrug) was tot plus minus 1900 bij zijn oom Jan Jans Bos de man die de schepen op het bord uittekende. Dat ging nogal primitief. Toch was Jochem op deze wijze een soort scheepsbouwkundige tekenaar. Voordien ontwierp Jochum ook tekeningen voor de Urker Botters die ook op Urk nog bekend staan als de Echtener Botters. Bos werkte niet veel van tekeningen maar meer op het blote oog. Jochem woonde in een huis aan het Hellingpad. Zo genaamd, omdat dit pad naar de werf van Jan Jans Bos voerde. Tot die tijd woonde hij met zijn gezin naast de werf, waar kleinere maar ook grote schepen van hout werden gebouwd. Bij de overgang van hout naar ijzer liet Jan Jans Bos een ijzerscheepskundige aanrukken.
Hij dacht dat Jochem Muurling ijzeren schepen niet aandurfde en niet aankon, zo tekende Jochem zijn zoon Jan Muurling (*03-05-1903 te Echtenerbrug) op. Het eerste schip zo gemaakt wilde echter niet zeilen, toen vroeg Jan Jans Bos aan Jochem, zou jij het aandurven. Jochem Muurling had boeken aangeschaft en bestudeerd en zo kon hij het werk aanvatten.

Er gleden allerlei soorten schepen van de helling van bokken en pramen, Lemster aken tot tjalken, skûtsjes en tjotters, maar ook een loodsboot voor de Koninklijke Marine werd gebouwd. Er werden zelfs grote ijzeren Rijnschepen gemaakt. Het afzetgebied van al deze schepen beperkte zich niet alleen tot Friesland, maar Bos leverde zelfs schepen naar het buitenland. Op de werf van scheepstimmerman Jan Jans Bos te Delfstrahuizen werd in 1896 een ijzeren pleziervaartuig (bottermodel) gemaakt voor de heer Landsheer te Selzaete in België. Dit doelmatige en mooie vaartuig zou gaan dienen om daarmee plezierreizen te maken naar Engeland, Duitsland de Rijn op, Nederland enz. De heer Landsheer heeft zelf een bezoek gebracht aan de werf te Delfstrahuizen en prees zeer de bekwaamheid en degelijkheid die baas en knechten (22 in getal) daar ten toon spreiden. In de Hepkema’s Courant uit Heerenveen, gewoonlijk kortweg De Hepkema genoemd (een streekblad dat tussen 1874 en 1951 verscheen in Midden- en Zuidoost-Friesland en vanaf 1901 onder de naam Nieuwsblad van Friesland), stond destijds een artikel over dit snelle zeiljacht. Uit de berichten in Schuttevaer en zeilmakersboeken vinden we dat sinds 1899 een zestal aken aan Lemster vissers werden geleverd, mooie schepen voor goede zeilers. De schepen werden vaak niet direct betaald. Dit noodzaakte hem om achter zijn geld aan te gaan. Hij zeilde naar Urk om geld op te halen. De vrome Urkers reageerden op hun eigen wijze en wilden Jan Jans in de haven gooien. Ook zeilde hij zelfs naar Terschelling, als het verdiende geld er maar kwam. Bos had als herkenning op zijn schepen een firmaplaatje op de mastkoker bevestigd. Er zijn nog verscheidene schepen in de vaart, die door Bos zijn gebouwd.
Voor de afbouw deed Bos veel zaken met Siebolt Jans de Vries, mastmaker uit Lemmer, voor de masten en zwaarden op zijn schepen. Siemen Jans Visser, zeilmaker te Lemmer, leverde veelal de zeilen.

De werf had in de omgeving een grote aantrekkingskracht op de werkgelegenheid. Op het hoogtepunt waren ongeveer 40 man personeel in dienst. Veel mensen uit de omgeving werkten op deze helling. Men begon vroeg in de morgen om 04:00 uur en ging door tot de avond viel. Lange dagen en de verdiensten waren gering. Het bedroeg van 6 tot 10 gulden per week. Hoogtepunt was het als er een schip klaar was. Daar werd altijd een feestje van gemaakt met veel drank. Om een idee te krijgen van de bouwcapaciteit van de werf, is een vermelding in het Schepenregister van het Kadaster in Groningen interessant. In 1907 werd er een tjalkschip gebouwd van 23,30x5,03x1,86 m met een laadvermogen van 133,66 ton gebouwd.
Tussen 1895 en 1910 gleden minstens éénentwintig skûtsjes van zijn helling, op de plaats waar nu het bedrijf Merenpoort BV aan het Hellingpad 16 te vinden is. In wedstrijdverband is bij de IFKS één skûtsje tot op heden actief geweest in de a-klasse, ‘it Swarte Wief’ [S 578 N] uit 1903. Het Hellingpad behoort tot één van de oudste gedeeltes van Echtenerbrug en ontleent zijn naam natuurlijk aan de hier vroeger gelegen helling.

Politieke loopbaan

Jan Jans Bos was niet alleen met zijn werf, maar ook politiek gezien, nauw betrokken bij de maatschappelijke ontwikkeling in de gemeente Schoterland. Schoterland was in de negentiende eeuw ook de naam van één van de kiesdistricten in Friesland. Bij de verkiezingen in 1888 werd voor het eerst een socialist in de Tweede Kamer gekozen. Na een herstemming in het Friese district Schoterland werd Ferdinand Domela Nieuwenhuis verkozen voor de Sociaaldemocratische Bond. Bij de Gemeenteraadsverkiezingen in juli 1899 werden er in de gemeente Schoterland 598 geldige stemmen uitgebracht, zodat er een herstemming moest plaats vinden tussen aftredende antirevolutionaire raadsleden E. Heida te Mildam en J. Smit te Knijpe, die respectievelijk 267 en 231 stemmen kregen. Voor de buitengewone vacature, ontstaan door het bedanken van de heer H.G. Beekhuis, werd de liberale P. Hofstra te Rottum met 290 stemmen gekozen, terwijl Jan Jans Bos te Delfstrahuizen voor de antirevolutionairen 237 stemmen kreeg.
De Antirevolutionaire Partij (ARP), waar Jan Jans Bos deel van uitmaakte, werd door predikant Abraham Kuyper op 3 april 1879 opgericht. Daarmee kwam er een partijverband voor een politieke stroming die al sinds het begin van de negentiende eeuw bestond. De ARP had in vrijwel het gehele land aanhang. Vooral in o.a. Friesland was zij sterk vertegenwoordigd. De partij richtte zich op arbeiders, boeren, middenstanders, lagere officieren en kleine zelfstandigen uit het protestants-christelijke hoek. De ARP had een sterke binding met de door Kuyper gestichte Gereformeerde Kerken in Nederland. Tot 1917 was het belangrijkste strijdpunt van de ARP de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs. In 1967 was de ARP samen met de Christelijk-Historische Unie (CHU) en de Katholieke Volkspartij (KVP) in gesprek over het begrip ‘christelijke politiek’. Dit leidde in 1980 tot een fusie en oprichting van het Christen Democratisch Appèl (CDA).

In een ingezonden stuk in het Nieuwe Advertentieblad van 6 september 1899 stelt Bos dat zijn werf de eerste ijzeren werf in Friesland is. Hij ging hierbij even voorbij aan de Barkmeijers in Sneek, maar moet gedacht hebben: “Zonder bluf is het leven suf.” Neemt niet weg dat Bos wel bekend stond als een vooruitstrevende man. Hij zou een eigen systeem voor opvang van hemelwater op binnenschepen hebben ontwikkeld. Dat Jan Jans Bos wel wat in zijn mars had, kunnen we ook afleiden uit een ingezonden stuk in de Hepkema’s Courant. Hieruit is af te leiden dat het een man met visie is geweest.

“M. de Red.
Toen ik in uw vorige woensdagnr. las, dat te Heerenveen een vennootschap was opgericht voor den bouw van ijzeren schepen, dacht ik:”Ik zou liever gelezen hebben, dat te Heerenveen een ijzerfabriek zou worden opgericht, daar tot-nog-toe in Friesland, Groningen noch Holland een ijzerfabriek bestaat. Deze provinciën met hun vele ijzeren werven en smederijen moeten al het benodigde ijzer uit Duitsland, België en Engeland betrekken en nu ook al uit Amerika.
Alleen al in de Belgische stad Gent werken 80.000 werklieden in ijzerfabrieken. Die fabrieken konden we hier evengoed hebben en niet alleen ijzerfabrieken ook linnen-, katoen- en wolfabrieken.
Te St. Johannesga kon best een katoen- of wolfabriek met 300 werklieden worden opgericht als de winkeliers maar de handen inéén wilden slaan. Daarmee zou aan honderdmaal meer mensen werk en brood worden verschaft dan door de oprichting van een ijzeren werf, daar de ijzeren werven spoedig een stilstand zullen gevoelen door de slapte der schipperij, bijzonder bij de grote scheepvaart. Een schipper, die thans te Rotterdam naar vracht rondziet, wordt genoodzaakt voor fl. 1,40 á fl. 1,50 per last goederen naar Friesland te brengen. Voor een vracht turf van Friesland naar Rotterdam bieden sommigen zich aan voor 45 cent per roede. Maar om op ijzerfabrieken terug te komen, men zal wellicht vragen: waar zou in ons land de grondstof vandaan moeten komen? Welnu, die komt toch meest uit Spanje en kan vandaar even goedkoop naar Nederland als naar Duitsland vervoerd worden. Alleen met de benodigde steenkool zouden we bij de genoemde landen iets achter staan, maar als die in grote aken vervoerd wordt, komt de vracht betrekkelijk niet hoog en per spoor maakt het ook niet zo’n groot vrachtverschil, of de reis wat korter of langer is.
Als Duitsland geen fabrieken had, zouden onze beste en krachtigste werklieden niet het land uitgaan. Maar omdat de Duitse arbeiders meer loonend werk in de fabrieken zoeken, daarom zoekt de Duitse boer in ons land zijn melkknechten. Hij kan meer betalen, niet omdat de grond daar beter is dan hier, integendeel, maar omdat de goed betaald wordende fabrieksbevolking zoveel melk en boter en vlees nodig is, dat de Duitse boer de helft meer voor zijn melk en bijna een derde meer voor zijn slachtvee krijgt.
En nu de grenzen maar sluiten voor ons vee en wij maar even goedmoedig het ijzer, linnen en katoen blijven betrekken uit een land dat van ons niets neemt. Moet dat niet ophouden?
Toen ik in 1893 een ijzeren werf oprichtte, kostten de Duitse staalplaten p.m. fl. 7,-, hoekijzer en andere metalen fl. 6,50. Nu zijn, doordat er te weinig ijzerfabrieken zijn en de vraag naar ijzer groot is, de ijzerprijzen zo enorm omhoog gegaan, dat thans de Duitse platen reeds fl. 11,50 kosten. Hoekijzer is ook een derde duurder. Doordat alle landen niet a-systeem oorlogsschepen laten maken, is er zoveel vraag naar ijzer, dat de fabrikanten kunnen vragen wat ze willen, en als men 20 of 10 ton ijzer bestelt, moet men vast 3 á 4 maanden op de levering wachten.
Te Nieuwdiep wordt thans een ijzeren oorlogsschip gesloopt, dat, voor zeven jaar gebouwd, toen 4 ½ miljoen gulden heeft gekost en nu bij publieke veiling is verkocht voor fl. 80.000,-. Ik geef u de verzekering, het had nog wel zestig jaar meegekund. Het was een pracht van een schip; de buitenhuid was 15 dM dik, met spanten van 25 eM en een binnenhuid van 14 dM.
Maar ik had het over de ijzerfabrieken. Ik geef u commissieleden te Heerenveen en uw heeren met Russische en andere effecten in overweging, wilt ge wat goede tot stand brengen, richt dan te Heerenveen een ijzerfabriek op voor scheeps- en smidsmateriaal, en de gemeente Schoterland zal haar armbestuur bijkans kunnen opheffen en haar hoofdelijke omslag met de helft verlagen, want er zal werk en brood in overvloed komen.
Gij, leiders van meetingen en vergaderingen werkt ook mede tot de oprichting van fabrieken in Nederland. De veenboer kan zijn arbeider geen behoorlijk bestaan meer geven, de greidboer ook niet, de fabrieken alleen kunnen hier een uitkomst zijn.
Delstrahuizen, sept. 1899, J.J. Bos Scheepstimmerman”

Door zijn politieke rol en als zelfstandige was Jan Jans Bos betrokken bij het dorp en zag goed in hoe de omgeving zich ontwikkelde. Op 23 november 1899 werd in een vergadering van belanghebbenden in Echten besloten tot oprichting van een coöperatieve stoomzuivelfabriek voor de dorpen Oosterzee, Echten en Delfstrahuizen. De fabriek zou worden geplaats in Delfstrahuizen aan het ruime vaarwater van de Pier Christiaansloot. Voor het oprichtingsbestuur werden als bestuursleden gekozen de heren J. Nieuwenhout en W.K. Visser uit Oosterzee en Jan Jans Bos uit Delfstrahuizen. De nieuwe Coöp. Stoomzuivelfabriek ‘De Eendracht’ nam in 1900 een zeer belangrijke plaats in de dorpsgemeenschap en daarbuiten in. Bij de oprichtingsvergadering waren er 21 boeren die de ledenlijst tekenden. De werkgelegenheid kreeg een enorme vlucht door de komst van de fabriek.
In de laatste jaren zijn op de werf van Bos te Delfstrahuizen nog tal van schepen van verschillend model en grootte gebouwd voor Noord- en Zuiderzeevaart. In 1909 ging het niet best met de werf, dat kwam mede omdat er soms niet betaald werd. De genadeklap werd veroorzaakt door houthandelaar Ter Horst uit Sneek, zo verteld ons Rein Munniksma uit Woubrugge. Omstreeks 1908 besloot schipper Fonger Haitzes Wiersma uit Oosthem een nieuw en groter skûtsje te laten bouwen. Zijn aanstaande vrouw, Trijntje Nijdam werkte toen als dienstmeisje bij houthandelaar Ter Horst in Sneek. Fonger kwam voor een lening bij Ter Horst voor de bouw van een nieuw skûtsje. Daar had Ter Horst geen bezwaar tegen. Hij wilde Fonger wel helpen, maar stelde als eis dat het schip gebouwd werd bij de scheepswerf Bos te Echtenbrug. De werf had namelijk een grote financiële schuld bij hem. Jan Jans Bos was niet erg blij te horen dat Ter Horst de financier van Fonger was, maar accepteerde de opdracht. Ter Horst sprak met Fonger af, dat zodra het schip klaar en afgeleverd was, hij het door Fonger zelf te investeren bedrag zou ontvangen. Fonger zou dan tegen Bos zeggen: “Ga maar naar Ter Horst, die rekent met u af”. En zo gebeurde het! In 1909 had Fonger opdracht gegeven, voor het bouwen van een ijzeren roefschip. Het schip was gereed in 1910 en het kreeg de naam ‘Lastdrager’ [S 923 N]. Het schip werd nog afgebouwd, nadat Jan in januari was overleden. Zijn gezondheid was door overmatige drankgebruik en de malaise van de werf snel achteruit gegaan. Kort na zijn dood in 1910 werd de werf geliquideerd. Jan en zijn vrouw werden begraven op het kerkhof aan de zuidkant van de weg naar Echten. Hun drie zoons Jan (*25-12-1875 te Delfstrahuizen - †22-02-1931 te Enkhuizen), Andries (*22-03-1880 te Delfstrahuizen - †08-04-1950 te Alkmaar) en Evert (*08-06-1886 te Delfstrahuizen - †03-06-1946 te Haarlem) hadden in dat jaar op de werf een grote opdracht vanuit België, voor twee schepen. De betaling daarvoor werd, in afwachting van de overdracht, geplaatst op de rekening van hun notaris. Deze is met dit geld met de noorderzon vertrokken naar Indië. Als gevolg van deze aderlating is de werf failliet gegaan, zo is door de zoon van Evert, Piet Bos (*1928), aangegeven.
Bos had in zijn laatste periode nog drie heel mooie woonarken voor zijn drie zonen gebouwd. Zijn weduwe en erven lieten de onroerende goederen op 19 oktober 1910 professioneel en op 2 november daaropvolgend finaal veilen. In het veilingboekje werd de werf met toebehoren beschreven als: ”Eene .... in volle werking zijnde Scheepstimmerwerf, met afzonderlijk staande Smederij, nette Burgerhuizinge, Knechtswoningen en ruim Erf, alles zeer gunstig staande en gelegen aan de Pier Christiaansloot nabij het Tjeukemeer te Echtenerbrug”. Tegelijkertijd met het onroerend goed moesten ook de aanwezige machines en gereedschappen worden overgenomen, in de schuur voor fl. 730,- en in de smederij voor fl. 110,-. Kenmerkend voor de ijzeren helling is dat er geen gereedschap voor de houtbewerking mee werd verkocht, maar alleen het benodigde voor de bewerking van staalijzeren platen en profielen.

Ate Pieters van der Werff

De werf werd verkocht voor fl. 2.816,- aan Ate Pieters van der Werff (*21-04-1881 te Gorredijk - †16-01-1960 te Echtenerbrug), die zich hier vooral op de bouw van pramen en op reparatiewerk toelegde. Het is niet bekend of hij ook nog roefschepen heeft gebouwd.
Na Ate Pieters van der Werff is de werf in 1960 in handen gekomen van Gebrs. K. & A. Wind. Het werd een echt familiebedrijf, ‘Wind’s Hellingbedrijf’, dat tot op de dag van vandaag nog steeds door deze familie wordt gerund. Men is destijds begonnen met de bouw van roeiboten, wat in de loop van de jaren gestaag is uitgegroeid naar de bouw van stalen zeilboten en motorboten.
In 1968 werd de grote houten schuur afgebroken en vervangen door de huidige nieuwe loodsen. Men legde zich steeds meer toe op de recreatievaart en zo is de werf in de loop van de jaren uitgebreid met twee grote jachthavens, een gezellige familiecamping en een mooie huurvloot, waarop al menigeen een gezellige vakantie heeft doorgebracht. In 1974 is de resterende activa van het oude bedrijf, na zware financiële moeilijkheden, ingebracht in een besloten vennootschap met de naam ‘Jachtwerf Merenpoort’ met werf, winterstalling, doe-het-zelfwerkhallen, jachthaven en botenverhuur. Daarnaast is het bouwen van roeiboten nu helemaal tot het verleden gaan behoren en men legt zich voornamelijk toe op de bouw van motorboten. Iedere boot wordt (volgens de CE-normen) op de werf ontworpen, gebouwd en te water gelaten.
Laatst gewijzigd op: 23 juli 2013