Drachten, Buitenstvallaat – Jan Oebeles van der Werff

Werf ‘Den IJzeren Scheepsbouw’ aan het Buitenste VerlaatBuitenste Verlaat
De werf aan het Buitenste Verlaat, na 1909 algemeen aangeduid als Buitenstvallaat, heeft een lange geschiedenis. Nu is deze werf bij de kruiswaters van Drachtstervaart, Drait en boezem omgeven door nieuwbouw van Drachten. In oude tijden was het een afgelegen buurt, die over land moeilijk te bereiken was. Nabij het Buitenste Verlaat (schutsluis), was dit de enige Drachtster werf aan open water, waar al vroeg grotere schepen konden worden gebouwd.

De werf bij het Buitenste Verlaat bij Drachten werd, volgens familieonderzoeker Ate van der Werff uit Luxemburg, in 1710 gesticht door Aucke Gerrijts, die voorheen scheepstimmerman was in Lemmer waar hij een helling had aan de noordzijde van de Zijlroede. Deze helling verkocht hij in 1709 aan Fedde Sijbrants (*1685 - †1769) om op zijn beurt grond op de hoek van het riviertje de Dreit te pachten van de erfgenamen van Nicolaus Faber. Aucke was in 1702 getrouwd met Trijntje Douwes. Een tante van Antje Martens (*1702 - †1755 te Dragten) die met Haycke Pyters (*1700 - †1733/1745 te Dragten) was getrouwd. Al na zes jaar verkochten Aucke en Trijntje de helling aan Hidde Hylckes, ook uit Lemmer, voor 1.200 caroligulden, welke in jaarlijkse termijnen van 100 CarGls betaald moest worden.

Het geldstelsel uit die tijd leek sterk op het stelsel dat tot voor kort in Engeland in gebruik was. Men rekende in guldens, stuivers en penningen. Een Caroli gulden was een munt die onder Karel V vanaf 1521 werd geslagen, en kan zowel een gouden als zilveren munt zijn en was 20 stuivers waard . Een stuiver had de waarde van 16 penningen. In de 18e eeuw gebruikte men bijna uitsluitend nog deze caroligulden, waarvan het symbool was: £ (Pond). Zeer ruw genomen kun je de verhouding tussen 1 caroligulden van toen en 1 euro van nu stellen op 1 op 300. (Bron o.a. Jolt Oostra, "Toponomy fan Easterlittens").

Na de afbetaling werd de werf op 19 februari 1726 overgenomen door de Drachtster zakenman Rienk Folckerts voor 752 caroligulden. Rienk Folckerts kocht de werf als beleggingsobject voor de verhuur. Er volgden vele werfbazen elkaar daarna in korte tijd op. Pyter Jacobs huurde eerst de ‘Huijzinge en Schuijthuijs’. Daarna was Jan Cornelis de huurder, die in 1736 via de dorpsrechter gesommeerd werd om het gehuurde, overeenkomstig het contract, te verlaten. In 1743 huurde Baucke Gerrijts met zijn vrouw Neeltsje Sickes het huis met de helling bij het Buitenste Verlaat voor een periode van zes jaar. Baucke Gerrijts was een goede timmerman en samen met zijn zwager Jacob Sickes, schipper uit De Knipe, bouwden ze een prachtig schuitje. Door achterstallige huurbetaling werd in december 1747 de huurovereenkomst voortijdig opgezegd. Baucke bouwde nog wel eerst het schuitje af die in april 1748 te water gelaten werd. De opbrengst 300 CarGls was te weinig om zijn bedrijf te redden. Zijn opvolger was Pyter Sikkes (Roorda) (*1698 - †1770), voorvaarder van de Roorda’s van de Piipster werf in Drachten. Deze periode van de Roorda’s op het Buitenste Verlaat is uitgebreid te lezen in het hoofdstuk over de Roorda’s.

Na het overlijden van Pieter Sieberens (*1764) in 1811 bleef de werf tot 1817 in handen van de Roorda’s. Erfgenamen verkochten de werf om hun aandeel in de nalatenschap te kunnen krijgen. Na de veiling van “Eene huising en scheepstimmerwerf met hoving, bomen en plantagie cum annexis staande en gelegen aan het Buitenstee verlaat in de Zuiderdragten” werden voor fl. 750,- de Drachtster grofsmid Sipke Eizes Dijkstra (*12-10-1762 te Gorredijk - †09-03-1830 te Drachten) en ‘scheepstimmerhoudersche’ Sytske Minnes (*1754 te Ureterp - †18-01-1834 te Drachten) ieder voor de helft eigenaars van de werf. Sytske Minnes was sinds 1813 weduwe van Haicke Pyters van der Werff (*01-01-1760 te Noorderdragten - †09-08-1813 te Drachten) en leidde al vijf jaar de werf aan de Noorderdwarsvaart in Drachten. In 1823 deed deze actieve weduwe haar aandeel met een kleine winst weer van de hand voor fl. 450,- en werd de Drachtster grofsmid Sipke Eizes Dijkstra volledig eigenaar. Voor hem betekende zijn investering een automatische klantenbinding voor toe te leveren smeedwerk, door middel van verkregen opdrachten voor de bouw en reparatie van schepen. Na zijn overlijden volgde er in 1831 een openbare verkoping van de werf. De gunning aan zaakwaarnemer Daniël Hulst uit Leek werd echter aangehouden en het kwam toen nog niet tot een finale verkoop. Enkele jaren later werd de werf wel overgenomen. Op 23 september 1834 sloot notaris Karst Jans van der Veen een koopcontract met Sipkes zoon Marten Sipkes Dijkstra (*21-08-1810 te Noorderdrachten -†05-10-1872 te Opsterland) en zijn vrouw Amalia Hendriks Hulst (*1812 - †1848). Van der Veen betaalde fl. 310,-. Tjeerd Pieters Roorda runde in de jaren die volgde de werf, maar er waren amper scheepsbouwactiviteiten van betekenis. Tot in 1843 Haike Pieters van der Werff (*07-12-1814 te Drachten - †30-11-1880 te Drachten) weer terug kwam in Drachten. Hij had de werf aan de Leeuwarder Trekvaart te Harlingen de rug toegekeerd om de leiding van de werf aan het Buitenste Verlaat over te nemen. Karst Jans van der Veen had de ‘scheepstimmerwerf, helling, sleep en verder gereedschappen, met huizinghe en twee knechtswoningen bij Tjeerd Pieters Roorda in gebruik, aan het algemeen vaarwater’ nog wel eerst te koop aangeboden. Maar ook Haike Pieters huurde de werf vooralsnog. Wonende bij de werf werd er door hem een nieuwe timmerschuur gebouwd.

Haike Pieters van der Werff

Toen in het midden van de 19e eeuw de welvaart toenam kwam er steeds meer bedrijvigheid op het water. De schippers die de grondstoffen vervoerden profiteerden van deze vooruitgang en op hun beurt bezorgden zij de scheepsbouwers meer werk. Haike Pieters bracht de werf flink tot bloei. In 1855 werd de kleinzoon van Haicke Pyters en Sytske Minnes er eigen hellingbaas. Hij kocht de werf voor fl. 2.425,- van de erfgenamen van Karst Jans van der Veen (*1783), die in 1848 was overleden. Haike Pieters was koopman geweest en had het vak geleerd op werven in Harlingen, Gorredijk en de Noorderdwarsvaart. Op het Buitenste Verlaat bouwde Haike Pieters, getrouwd met de ondernemersdochter Grietje Oebeles Kijlstra (*28-11-1812 te Drachten - †22-08-1878 te Drachten), in het midden van de negentiende eeuw naast kleine bokken en pramen mooie holle roefschuitjes en tjalken van dertien tot ruim vijftien meter lengte. Deze scheepjes waren hoofdzakelijk bestemd voor de turfvaart, maar ook de boeren en de middenstanders konden bij hem terecht. In het Fries Scheepvaartmuseum bevinden zich bestekken van schuitjes uit deze periode. Uit een tiental bestekken verspreid over de verschillende decennia bleek dat het kleinste schip 46 vt (13,06 m) lang was en het grootste, al gebouwd in 1844, een lengte had van 58 vt (16,47 m). De gemiddelde lengte bedroeg 48½ vt (13,77 m).
Haike Pieters nam in 1864 de werf aan de Noorderdwarsvaart over van zijn stiefvader Tjebele Wytzes Kamp (*1807 - †1898). De oudste van zijn vijf zonen, Pieter Haikes (*1845 - †1900), kwam terecht op deze werf aan de Noorderdwarsvaart en even later ook op de werf van zijn oom Ate Pieters van der Werff (*1819 - †1890) aan de Langewyk, waar hij in 1892 baas en opvolger werd. Drachten bleef veel schippers aantrekken, door de groei in het aanleggen van polderdijken, spoor- en straatwegen. Daar kwam in de zestiger jaren bij dat er ook nog grote hoeveelheden steenkool naar de gasfabriek in Drachten vervoerd moesten worden. Al met al veel klandizie voor de werf. Haike Pieters zijn twee ander zonen kwamen bij hem op de werf aan het Buitenste Verlaat werken. Zoon Oebele Haikes (*26-04-1847 te Drachten - †22-06-1929 te Drachten) volgde in juni 1878 zijn vader al op als hellingbaas op Buitenste Verlaat.

Oebele Haikes van der Werff

Oebele Haikes trouwde in 1868 met Richtje Jans Weis (*29-04-1846 te Drachten - †04-06-1881 te Drachten). Oebele Haikes had de dochter van korenmolenaar Jan Jans Weis (*1816 - †1901) bij Oosteinde, nabij de Langewyk, ontmoet. Zij gingen bij de werf aan het Buitenste Verlaat wonen en kregen tien kinderen, waarvan enig zoon Jan Oebeles (*17-10-1876 te Drachten - †16-12-1958 te Drachten) ook het scheepstimmermansvak zou gaan volgen. Nog voordat Oebele Haikes hellingbaas op Buitenste Verlaat werd, adverteerde hij al vanaf 1873 als scheepsbouwmeester. Hij kreeg van zijn vader het vertrouwen om scheepstimmerknechten aan te nemen tegen 12 à 13 cent per uur en om schuitjes en tjalkschepen te verkopen. Op 8 juni 1878 verkochten Haike Pieters en zijn vrouw Grietje Oebeles hun beide werven aan hun twee oudste zonen. Pieter Haikes nam de werf aan de Noorderdwarsvaart over en die bij het Buitenste Verlaat ging over naar Oebele Haikes voor de prijs van fl. 3.000,-. De ouderlijke woning met herberg en winkel werd in januari 1881 aangekocht. Zijn vrouw Richtje Jans had niet veel van de uitbreiding genoten. Zij overleed in juni. Hierna brak de tijd voor vernieuwing aan. Een vernieuwing die ook ingegeven werd door de aansluiting van de Drachtstervaarten op de Drentsche Hoofdvaart. De doorvoer van producten begon een steeds grotere rol te spelen. De verveende achterlanden werden meer en meer in cultuur gebracht. De drukte bij de bruggen en de sluizen nam behoorlijk toe. Na een periode van verval begon de scheepvaart weer op te bloeien. Ook de gemiddelde tonnage vertoonde een verhoging van 21 naar ruim 30 ton. E.e.a. was mede te danken aan de sterke verbeteringswerken, uitgevoerd door de provincie aan de vaarten, bruggen en sluizen in 1893. Zoon Jan Oebeles moest deze vernieuwing in de scheepsbouw vorm gaan geven. Oebele Haikes trad na het verlies van zijn eerste vrouw in 1899 voor de tweede maal in het huwelijk. Hij was daarna minder op de werf te zien. Hij trok in bij ‘landbouwerske’ Jeltje Foppes Dijkstra (*12-11-1849 te Opeinde - †10-12-1924 te Drachten) op haar boerderij en verhuurde nog enkele vrachtschepen die hij bezat. De feitelijke leiding op de werf lag inmiddels in handen van zoon Jan Oebeles.

Jan Oebeles van der Werff

Op de werf van Wolter Mulder (*1868 - †1960) te Vierverlaten had Jan Oebeles, net als onder andere Klaas Johannes Draaisma (*1873 - †1931) en Bouke Berends Roorda (*1878 - †1958), zich in de periode van 23 mei 1897 tot 1 januari 1898 bekwaamd in de ijzerbouw, want Groningen was een rijke kweekvijver van Fries scheepbouwerstalent. Deze kennis begon Jan Oebeles hierna toe te passen in een periode van geleidelijke vernieuwing door verlegging van het accent van de houtbouw naar de bouw met ijzer en later staal. Zijn eerste opdracht voor het bouwen van een ijzeren tjalk kwam van Jacobus Zwart uit Minnertsga. De ‘Twee Gebroeders’ [L 173 N] kreeg meteen al een behoorlijke maat van 16,98x3,84 m met een laadvermogen van 44,173 ton. Het schip zou als ‘Boppelâns’ in de begin jaren van de IFKS, met als schipper Allard Syperda, nog veel stof tot praten doen opleveren betreffende de maatvoering. Toch waren de schepen in de eerste vijf “ijzeren jaren” ongeveer allemaal van dezelfde maten als de houten schepen die ervoor werden gebouwd. De gemiddelde lengte bedroeg 45¼ vt (12,88 m). De verlaatster werf, ook bekend als ‘De Nijverheid’, kreeg al weldra de alles overheersende toevoeging ‘Den IJzeren Scheepsbouw’. Bijzonder was dat toen al lang niet meer, want in het begin van de twintigste eeuw moesten alle Friese scheepsbouwers die wilden overleven, met de pons en snijmachine kunnen werken en de kunst van het klinken beheersen. De werf had veel vaste klanten, waaronder Keidel en Brouwer.
Jan Oebeles nam in 1905 op 29-jarige leeftijd de zeggenschap op de werf bij het Buitenste Verlaat over van zijn vader Oebele Haikes. Dat jaar werd hij namelijk maatschappelijk volwassen door zijn huwelijk op 5 mei met Tjitske Gurbes Fokkema (*14-03-1881 te Ureterp - †14-07-1976 te Drachten). Het feitelijke eigendom van de werf met aanverwante goederen ging per 3 april 1909 over, bij de scheiding van de boedel van vader Oebele Haikes en wijlen moeder Richtje. Voor Tjitske was het huwelijk een hele verandering. Van de boerderij afkomstig kreeg zij hier te maken met de scheepwerf, winkel en niet te vergeten de herberg met een echte tapkast erin. Tijdens de vaste marktdagen en ook bij kermissen in Drachten, was het op het Buitenste Verlaat een drukte van belang. Lange rijen veeschepen of kermisschepen lagen dan voor de sluis te wachten om te worden geschut. De wachtende schippers gingen dan naar de herberg van Van der Werff voor een borrel en een praatje. De vrouwen konden dan even boodschappen halen in het kruidenierswinkeltje. Dit kleine winkeltje was gehuisvest in de voorkamer van het huis aan de linkerkant van de voordeur. Tjitske had het dan behoorlijk druk, want er waren ook nog haar zeven kinderen waar ze tussen de bedrijven door voor moest zorgen.
Jan Oebeles koos voor een model ijzeren schip met een volgens hem optimaal compromis tussen snelheid, laadvermogen en stabiliteit. De snelheid werd vooral bevorderd door de stroomlijn met een vrij sterke verjonging naar achteren en een mooi geveegde kont, dat ook nu nog door snelle zeilers wordt gewaardeerd. De schepen hadden vrij smalle boegen, waardoor kop en kont een prachtig vloeiend verloop kregen. Deze kwaliteitsfactoren waren met de bereidheid om ‘geld onder een schip te laten’, essensieel. De prijzen waren veel minder gevarieerd dan tegenwoordig in de autoindustrie. Ze werden afgeleid van normtarieven op basis van materiaalprijzen en uurlonen. Typerend voor de skûtsjes van Jan Oebeles waren de, in het zicht liggende, hoekijzers langs de boorden, de taps in- en uitlopende stevens en niet te vergeten de veelaal toegepaste ruitjesdekken.
De nieuwe generatie scheepsbouwers van na 1905 kon traditionele grenzen verleggen door de beschikbaarheid van verbeterd ‘staalijzer’, wat zo genoemd werd omdat de Engelsen de betere kwaliteit vloeiijzer aanduidden met ‘mild steel’. Dit modernere materiaal liet zich in ronde vormen kloppen zonder te scheuren of aan kracht in te boeten en het kon met witgeel hete nagels worden geklonken. Dat ze op het Buitenste Verlaat het werken in alle gangbare materialen beheersten, blijkt uit de vermelding ’houten-, ijzeren- en stalen scheepsbouw’ in het latere briefhoofd. Het verschil tussen oude, makkelijk smeedbare en minder roestgevoelige welijzer, veelal puddelijzer, en uit ovens gegoten en gewalst vloeiijzer was groot. Het was in ieder geval belangrijk genoeg om naast ‘ijzer’ ook ‘staal’ te vermelden. Door deze veelzijdigheid konden op het Buitenste Verlaat nog lang houten schepen worden ingeruild en opgekalefaterd. Ook werd de naam Buitenste Verlaat in het briefhoofd en in stempels in 1909 door Jan Oebeles, bij het overgaan op een nieuwe huisstijl, vervangen door Buitenstvallaat. Deze naam draagt de straat waar de werf aan zit tegenwoordig nog steeds.
Heet klinken werd vanaf 1906 als kwaliteitseis een tijdlang vrijwel standaard in de bestekken van Jan Oebeles vermeld. Door het klop- en klinkwerk werd Jan Oebeles zo hardhorend dat hij er op oudere leeftijd de bijnaam ‘dove Jan’ aan overhield. 'Den IJzeren Scheepsbouw' met zij drie, later vier hellingsporen op de kanthelling aan het Buitenstvallaat concentreerde zich langer op roefschepen, pramen en visaken voor een traditioneel klantenbestand. Daarnaast werden er ook klippers, tjalken en zeetjalken gebouwd in deze periode. De Bûtenstfallaatster skûtsjes werden geprezen op hun weerbaarheid, soliditeit en laadvermogen. De snelheid van de schepen werd trouwens in niet geringe mate toegeschreven aan de kwaliteit van de tuigage, en daar was de zeilmaker samen met de schipper verantwoordelijk voor. Dat de Bûtenstfallaatster iets zwaarder waren dan de concurent Piipsters zat hem in het feit dat Jan Oebele de breedte van de boegen (de gangen) bij kop en bij kont smal hield. Smalle, ten opzichte van bredere, boegen vergten extra knipwerk van plaatmateriaal, brachten een hoger materiaalverbruik met zich mee vanwege de extra overlappingen en extra klinkwerk. Daartegen over stond, dat smalle boegen gemakkelijker te hanteren waren. Het ‘bol’ kloppen op het rekblok was namelijk veel eenvoudiger en leverde een fraaier resultaat op.
In 1910 kwam Oebele Haikes weer bij zijn zoon en diens vrouw Tjitske op de werf wonen. Oebele Haikes had de boerderij van Jeltje Foppes Dijkstra verlaten door wrijving met de kinderen uit haar eerste huwelijk. Dit leidde tot een scheiding. Het ging bij Jan Oebeles hem op de werf een stuk beter af. Er waren veel opdrachten en de schepen werden groter. De oude sleephelling werd vervangen door een dwarshelling met vier stel rails met wagens. De lieren om de wagens langs de rails omhoog te trekken werden met mankracht bediend. Hiermee konden schepen tot een lengte van 25 m op het droge worden gezet. Eind jaren twintig had Jan Oebeles zijn eigen gasfabriekje opgezet. Uit carbid met water werd acetyleengas gemaakt, nodig voor het autogeenlassen in de werkplaats. Oebele Haikes had toen dit gas op vernuftige wijze ook als verlichting in de woning toegepast.

Oebele Haike en Gurbe Jans van der Werff

Jan Oebeles hield de skûtsjebouw vol totdat in 1933 hier het laatste skûtsje gebouwd werd voor schipper Jitze Jasper uit Heerenveen. Hij had zijn oude skûtsje de ‘Twee Gebroeders’ [L 1915 N] verkocht aan Teake Salverda uit Stavoren. Het ‘Salverda’ skûtsje dat later aan wedstrijden van SKS en IFKS mee zou gaan deelnemen. De afmetingen van zijn nieuwe skûtsje werden 69½ vt (19,68 m) lang en 13 vt (3,68 m) breed. De holte bedroeg 4 vt (1,16 m). Hiermee kon hij 10 ton meer vracht vervoeren. Het skûtsje werd ‘Roerdomp’genoemd en werd op 21 augustus 1933 te Leeuwarden gemeten [L 2486 N]. Twee jaar daarvoor bouwde Jan Oebeles het later in wedstrijden van de SKS deelnemende ‘Lemster skûtsje’ [L 2152 N], dat vlak na het huidige Earnewâldster skûtsje ‘Twee Gebroeders’ [L 1990 N] van deze helling gleed, een potentiële kampioen. Tot dan toe waren er op deze werf ongeveer vijftig skûtsjes gebouwd. Maar het meeste werk zat toen voor de volgende generatie, de zonen Oebele Haike (*04-02-1906 te Drachten - †08-05-1975 te Drachten) en Gurbe Jans (*02-05-1907 te Drachten - †12-02-2003 te Drachten), al in de bouw van vooral kruisers en onderhoud. Oebele Haike werd de grote vakman in het smeed- en ijzerwerk. Hij was na de ambachtschool direct bij zijn vader op de werf komen werken. Eerst onder toezicht en later in 1935 met broer Gurbe zelfstandig. Door het volgen van een cursus bij PBNA (het ontwerpen en tekenen van schepen) werd Oebele Haike de tekenaar en ontwerper van de te bouwen schepen. Gurbe, die alle geheimen van de klassieke scheepsbouw als all round vakman nog kende, verzorgde onder meer de planning en het fijne houtwerk. Hun vader Jan Oebeles verleende op de werf allerlei praktische hand- en spandiensten. Zo ontstonden er prachtige schepen. Na de Tweede Wereldoorlog werd op het Buitenstvallaat nog een enkele recreatief skûtsje gebouwd, met uiteraard een aangepaste indeling en inrichting. Met de komst van de pleziervaart ontstond er behoefte aan schipshuizen. Het bedrijf werd met deze faciliteiten uitgebreid, door het weiland ten zuiden van de werf hiervoor te gebruiken. De watersport ontwikkelde zich en de werf ook. De luchtdruktechnieken (pneumatisch) werden ingevoerd. Daarna werd het klinken met luchtdruk vervangen door het lassen van de platen met acetyleengas en werd het elektrisch lassen ingevoerd in 1953. In deze periode was Oebele Haikes vanaf 1946 vicevoorzitter van de ‘Friesche Scheepsbouwersvereeniging’ en van 1948-1951 voorzitter. In beide keren werd hij opgevolgd door Wiebe Amels uit Makkum.

Jan Oebeles stierf in 1958. Hij had nog mogen meemaken dat zijn zonen een goede naam kregen in de pleziervaart. Gurbe en Oebele Haike zetten samen het bedrijf voort en bouwden verschillende typen Van der Werff-kruisers, Huitema schouwen, kotters en een groot aantal kleine bootjes, waaronder ‘wyldsjitterkes’. Daar kwam, met winterstalling, veel onderhoud en reparatiewerk bij, en verhuur van motorkruisers en zeilboten. De samenwerking duurde tot 1966, waarna beide broers uitelkaar gingen. Oebele Haike nam de werf over en Gurbe de schipshuizen en aanlegsteigers met een kleine hellingfaciliteit. Na het bereiken van de 65-jarige leeftijd stopte Gurbe in 1972 en verkocht zijn bedrijf aan Herman Mast voor de prijs van fl. 210.000,-. Op deze plaats is nu de Mast Jachtschilders B.V. gevestigd.
Jan Oebeles stierf in 1958. Hij had nog mogen meemaken dat zijn zonen een goede naam kregen in de recreatievaart. Gurbe en Oebele Haike bouwden verschillende typen Van der Werff-kruisers, Huitema schouwen, kotters en een groot aantal kleine bootjes, waaronder ‘wyldsjitterkes’. Daar kwam, met winterstalling, veel onderhoud en reparatiewerk bij, en verhuur van motorkruisers en zeilboten. Jan Oebele (*15-06-1941 te Drachten - †15-01-1995 te Drachten) werd eind 1975 baas op Buitenstvallaat. Hij was in 1971 getrouwd met Meintje van der Kooi. Toen Jan Oebele stierf, nam voor de zoveelste keer in de familietraditie een weduwe de zaken waar. Meintje zorgde voor de continuïteit in het bedrijf, terwijl zoon Oebele Haike (Haiko, *1973) zich ontwikkelde in de scheepsbouw. Het is zijn intentie om de beroemde werf van zijn voorvaderen voort te zetten.

Jan Oebele van der Werff

Oebele Haike, die in 1932 getrouwd was met Ytje Klara Bergsma (*24-12-1908 te Hardegarijp - †10-10-1984 te Drachten) overleed in 1975 op 68-jarige leeftijd. Hij had één zoon, Jan Oebele (*15-06-1941 te Drachten - †15-01-1995 te Drachten), die het bedrijf voortzette op Buitenstvallaat. Hij voerde het bedrijf verder als eenmanszaak onder de oude naam ‘Scheepswerf J.O. van der Werff’. De oude timmerschuur met lemen vloer en het smidsvuur met blaasbalg, die intussen bouwvallig geworden was, werd vervangen door een nieuwe loods. Jan Oebele volgde de opleiding metaalbewerking aan de ambachtschool te Drachten. Hij werd in zijn werk ondersteund door zijn vrouw Meintje Sjoerds van der Kooi (*23-08-1947 te Rijperkerk) waar hij in 1971 mee getrouwd was. Meintje hield zich, naast de administratie, hoofdzakelijk bezig met de verhuur van motorkruisers en zeilboten, ligplaatsen en enige schiphuizen. Terwijl Jan Oebeles verschillende type kruisers naar eigen ontwerp bouwde. Daarnaast bouwde hij onder andere ‘wyldsjitterkes’, schouwen, schokkers, een rondspant jacht en een Mariënkotter. Jan Oebeles bouwde ook enkele skûtsjes van 10 m lengte van het type ‘De Groot’. Echter door deze bedrijvigheid was er voor de dwarshelling niet meer genoeg emplooi en raakte in verval. Daarom werd de helling in 1989 gesloopt en werd er een nieuwe walbeschoeiing gemaakt met een vlak terrein en kwamen er vijf ligboxen.

Oebele Haike (Haiko) van der Werff

Toen Jan Oebele stierf, nam voor de zoveelste keer in de familietraditie een weduwe de zaken waar. Meintje zorgde voor de continuïteit in het bedrijf, terwijl zoon Oebele Haike (Haiko, *25-10-1973 te Drachten) zich ontwikkelde in de scheepsbouw. Het was zijn intentie om de beroemde werf van zijn voorvaderen voort te zetten. Het bedrijf bleef op een laag pitje voortbestaan doordat de eigenaren hun vaartuigen zelf ter plekke konden schoonmaken en conserveren. Het hellingwerk werd in de weekenden gedaan door Haiko en zijn broer Sjoerd Jan (*07-08-1975 te Drachten). In 1997 kwamen er nog 19 nieuwe ligplaatsen bij. Na zijn studie als werktuigbouwkundig ingenieur werkte Haiko anderhalf jaar in Leeuwarden bij Scheepsbouw Kroes, waar hij zich bekwaamde in de bouw van stalen casco’s. Daarna ging hij boten keuren bij het keuringsbedrijf Nederlands Keurings Instituut Pleziervaartuigen (NKIP) in Joure. Per 1 januari 2001 zette Haiko het bedrijf voort onder de naam ‘Scheepsbouw O.H. van der Werff’. Het zou zijn pijlen richtten op nieuwbouw en reparatie van stalen schepen alsmede schilderwerk van jachten, stalling van boten op de wal. Er werd een 10-tons hefkraan aangeschaft en het machinepark werd gemoderniseerd. Met drie man personeel had Haiko in navolging van de ideeën van zijn vader Jan Oebele ook belangstelling voor kotters en ging hij verder met de bouw van de Van der Werff kruisers. Er wordt inmiddels gebruik gemaakt van moderne productiemethoden. Het plaatwerk werd daarbij, veelal op maat gesneden, aangeleverd door gespecialiseerde bedrijven met computergestuurde plasma-snij-apparatuur. Naast de werf kwamen er 20 open en 12 overdekte ligplaatsen. In 2006 werd er naast de oude bestaande loods een nieuwe grotere loods gebouwd van 23 x 16 m. In deze loods kwam ruimte voor casco’s met een lengte tot 16 m. Deze loods werd in 2009 feestelijk geopend door wethouder Fred Veenstra en de volgende generatie Van der Werff, Haiko’s zoon Jan Oebele Hylke (*13-09-2003 te Drachten).
Laatst gewijzigd op: 12 september 2011