Drachten, ā€˜De Piipā€™ ā€“ Gebr. Roorda

Roorda werf aan de DrachtsterfeartDe Pijp ('De Piip')
De bekende werf van de gebroeders Roorda, in de volksmond ‘de Piip’ werd in 1902 door Berend Tjeerds Roorda in Drachten aan het Moleneind gesticht. Het bedrijf lag iets ten noordoosten dicht bij de Pijpbrug in de Hogeweg, Pijp nr. E-26 (Moleneind 11). De naam Pijpbrug was ontleend aan een brug in de Hogeweg, die door Jhr. Tjaerd van Aylva als zoon van de toenmalige eigenaar Sjoerd van Aylva, vanaf 1674, van de vaart eigenmachtig veranderd was in een stenen pijp. Reden hiervoor was winstbejag door minder onderhoud te hoeven uit te voeren. In 1695 verloor hij echter het proces tegen hem voor het Hof van Friesland en moest hij de maatregel weer ongedaan maken. Sinsdien had de val- en later draaibrug, geschikt voor de turfvaart, de naam behouden.
Het familiebedrijf van de Roorda’s is van groot belang geweest voor de Drachtster scheepsbouw. De scheepsbouwtraditie in deze familie begon echter aan de andere kant van Drachten in 1656 toen betbetovergrootvader Sikke Melles in een huis van de latere scheepsbouwer Auke Gerrijts aan de Noorderdwarsvaart woonde. De Drachtstervaart en een gedeelte van de Noorderdwarsvaart waren nog maar een paar jaar daarvoor gereedgekomen. Op dat moment was er veel vraag naar schepen die de turf uit de veenderijen konden vervoeren.

Pyter Sikkes

Berend Tjeerds, die leefde van 6 december 1849 tot 8 juli 1928, was een telg uit een scheepsbouwergeslacht. In de achttiende eeuw werd zijn betovergrootvader Pyter Sikkes (*25-03-1698 te Zuider-Dragten - †1770 te Zuider-Dragten) op latere leeftijd scheepstimmerbaas nabij het Buitenste Verlaat en had met zijn werf een vrij groot afzetgebied, dat zich niet beperkte tot Smallingerland e.o. Het was de enige Drachtster werf aan open water (Smalle en Wijde Ee), waardoor er al vroeg grotere schepen werden gebouwd.
In 1710 werd hier de werf opgericht door Aucke Gerrijts. Zijn vrouw Trijntje Douwes was een tante van Antje Martens (*1702 - †1755), die met Haycke Pyters (*1700 - †1752) trouwde, de voorouders van de Drachtster scheepsbouwersfamilie Van der Werff’s.
Pyter Sikkes werd er in het midden van de achttiende eeuw, 1748, schuijtmaker waarna hij in 1754 met zijn vrouw Asseltje Freerks naar Zuider-Dragten nr. 70 (Buitenstverlaat) verhuisde. Hij huurde de werf van Rienk Folckerts die de werf in 1726 had overgenomen van Aucke Gerrijts. Rienk was een zakenman en kocht de helling als beleggingsobject voor de verhuur. Na het overlijden van Pyter Sikkes, voerde zijn vrouw Asseltje Freerks uit Oostermeer het beheer over de werf verder, totdat zij in 1782 overleed. Zij had in die tijd diverse contracten gesloten voor de bouw en levering van schepen.

Sieberen Pieters

Ook Berend Tjeerds overgrootvader Sieberen Pieters (*1720 te Dragten - †23-08-1808 te Drachten) was meester schuijtmaker. Hij woonde in 1759 ook bij de helling bij het Buitenste Verlaat op nr. 68. Sieberen Pieters was op 20 februari 1757 in Boornbergum getrouwd met Trijntje Popkes (*13-01-1732 te Boornbergum - †1780). Na het overlijden van zijn moeder in 1782 kwam hij op het Buitenste Verlaat nr. 70 te wonen na een omzwerving van Zuider-Dragten naar Gorredijk (1761-1773) en Boornbergum, waarschijnlijk De Wilgen vlakbij het Buitenste Verlaat (vanaf 1773). In het huwelijk met Trijntje kregen ze vier kinderen; Asseltje, Jenne, Popke en Pieter. Zijn twee zonen Popke en Pieter Sieberens werden ook scheepstimmerman op de werf. In 1783 hertrouwde Sieberen Pieters met Janke Rienks Folckerts (*1735 - †1794 te Dragten) dochter van de werfeigenaar Rienk Folckerts die in 1750 was overleden. Dit huwelijk bleef kinderloos. In 1791 ging Sieberen Pieters met zijn tweede vrouw verhuizen naar nr. 113. Na het overlijden van Janke Rienks verhuisde Sieberen naar nr. 132 en kwam via haar huwelijk met Sieberen Pieters de werf bij het Buitenste Verlaat in het bezit van de familie Roorda.

Pieter Sybrens

Aan het einde van de 18de eeuw waren Berend Tjeerds grootvader Pieter Sieberens (*25-05-1764 te Boornbergum - †09-08-1811 te Drachten) en diens broer Popke Sieberens (*17-06-1773 te Kortehemmen - †24-06-1847 te Drachten) eigenaren van de scheepshelling bij het Buitenste Verlaat in Drachten. Pieter Sieberens werd ook wel met de achternaam Bijl aangeduid, de traditionele naam voor scheepstimmerlieden (vgl. ‘Bijltjesoproer’, oproer in 1787 tegen de patriotgezinde regenten van Amsterdam door de scheepstimmerlieden op Kattenburg). Pieter Sieberens was getrouwd met Trijntje Tjeerds (de Vries) (*1761 te Dragten – †01-11-1833 te Ureterp). Vlak voor zijn overlijden verkocht Pieter Sieberens nog een kofscheepje van 40 vt lang. Na het overlijden van Pieter Sieberens in 1811 was het Trijntje die in 1812 de naam Roorda aannam voor zichzelf en de kinderen. Deze naam was ontleend aan Pieter Sieberens grootmoeder Lysbert Sybrants de Rode die de familienaam droeg. Lysbert was een dochter van Sybrand Jacobs (de) Roorda en Catharina Bolleman en werd ook wel Elisabeth Rhoode genaamd. Catharina was een dochter van de bekende Passchier Hendriks Bolleman. Deze laatste was de oprichter van de Drachtster Compagnie. Deze Compagnie had als oogmerk het graven van de vaarten en het ontvenen van de aangrenzende gebieden daar.

Tjeerd Pieters Roorda

De scheepstimmerwerf en knechtshuis werden door de erfgenamen in 1817 verkocht. Vrijgezel Popke Sieberens en de zoon van Pieter Sieberens, Tjeerd Pieters Roorda (*29-04-1807 te Drachten - †15-11-1866 te Drachten), bleven actief op de werf en kwamen in dienst van de gezamenlijke nieuwe eigenaren Sytske Minnes (*1754 - †1834), weduwe van Haicke Pyters (*1760 - †1813), en de Drachtster grofsmid Sipke Eizes Dijkstra (*1762 - †1830). In 1823 deed Sytske haar aandeel alweer van de hand. Dijkstra’s zoon Marten Sipkes (*21-08-1810 te Noorderdrachten -†05-10-1872 te Opsterland) verkocht het bedrijf in 1834 aan notaris Karst Jans van der Veen uit Drachten. Tjeerd Pieters werd de hellingbaas, maar de schuitmakerij bracht te weinig op. Popke Sieberens en Tjeerd Pieters moesten het veld ruimen. De Roorda's verhuisden weer naar de Noorderdwarsvaart. Vermoedelijk werd daar een nieuwe werf gesticht waarvan de eigenaar en geldschieter Egbert Boelens was, waarbij de Roorda's in dienst kwamen. De werf werd bekend als de werf van Roorda aan de Noorderdwarsvaart en was gevestigd naast de Reidingswijk, ongeveer 1.000 m ten noorden van de Noordkade en tegenover het woonhuis van de familie Boelens. Ze bouwden hoofdzakelijk kleine schepen als pramen en bokken.

Berend Tjeerds Roorda

Tjeerd Pieters Roorda was getrouwd op 6 juni 1835 met Minke Berends Weima (*05-04-1805 te Noorder Drachten - †26-09-1886 te Drachten). Moeder Minke was een dochter van Berend Minnes Weima (*1760 - †1826) die op zijn beurt weer een broer was van Sytske Minnes, die wel de meest markante voormoeder is van de Van der Werff’s. Zij was dus de tante van Minke en oudtante van Tjeerd en Minkes zoon Berend Tjeerds Roorda (*06-12-1849 te Drachten - †18-07-1928 te Drachten).
Deze eerste familieband is waarschijnlijk mede een reden geweest om Berend Tjeerds Roorda in dienst te nemen als ’skûtmakersfeint’ eerst bij het Buitenste Verlaat van Haike Pieters van der Werff en later bij Ate Pieters van der Werff (*1819 - †1890) op de hoek van de Langewyk en de Zuiderdwarsvaart te Drachten en Pieter Haikes van der Werff (*1845 - †1900) aan de Noorderdwarsvaart.
Berend trouwde op 31 mei 1877 met schippersdochter Bontje Boukes Pietersma (*09-06-1856 te Leeuwarden - †02-03-1941 te Drachten), zodat hij schipperservaring en -wijsheid uit de eerste hand kon opdoen en verwerken. Bontje haar vader Bouke Wouters Pietersma was modderschipper, die in de jaren zeventig van de vorige eeuw veel prijzen won. Door toedoen vande grote landbouwcrisis vertrok Berend Tjeerds in 1896 met de Drachtster stoomtram (op zichzelf toen nog een avontuur) naar Heerenveen en verder per trein naar Basel in Zwitserland voor een ongebruikelijk karwei. Berend had een opdracht van zijn vriend, de later bekende Drachtster beeldhouwer/portretschilder en schipperszoon Pier Pander (*1864 - †1919), gekregen. Diens vriend en vroegere chirurg dr. Berns had een uit houten balken opgetrokken dokterswoning op een uur lopen van de Güterhalle van het goederenstation van Basel, waarin het zo verschrikkelijk tochtte doordat het hout was gekrompen. Pier had voorgesteld om een oude zakenvriend over te laten komen om het huis te breeuwen als bij een schip. De vriendschap tussen Pier en Berend was ontstaan toen de vader van Pier, Jacob Hendriks, met zijn mattenscheepje bij de helling aan de Langewyk de winters doorbracht, toen nog het werkterrein van de jonge Berend Roorda. Daar groeide door korte momenten van samenzijn iets uit tot een hechte vriendschap. Er zal voor dit karwei wel een behoorlijke beloning in het vooruitzicht gesteld zijn, om het aantrekkelijk te maken. De klus nam zes weken in beslag. Aan deze kunstenaar, bekend door het ontwerp van de beeltenis van Koningin Wilhelmina voor de Nederlandse munt, herinnert de Pier Pandertempel in de Prinsentuin te Leeuwarden, ook bekend als de Koperen Tuin van Simon Vestdijk (*1898 - †1971). Dit was het begin van zijn carrière als zelfstandig ondernemer. Na terugkomst in Drachten begon Berend Tjeerds voor zichzelf met een houtbouwhelling voor hoofdzakelijk pramen voor boeren, aan de oostkant van de Boven Dracht (Noorderdwarsvaart) in Noorderdrachten. Berend werd geholpen door zijn zoon Wouter die ook het scheepstimmervak leerde. Zijn zoon Tjeerd was zich aan het bekwamen als smid en Bouke was nog bezig verdere ervaring elders op te doen.

Berend wilde vanwege de bereikbaarheid zijn werf verplaatsen naar de Drachtstervaart. In mei 1901 kocht hij een stuk grond van 23 are iets ten oosten van de Piipbrêge in de Hoge weg aan de noordkant van de Drachtstervaart aan het Moleneind. De Piipbrêge, de verbinding tussen Noorder- en Zuiderhogeweg, was een houten draaibrug. Het is curieus dat dit perceel in 1832 toebehoorde aan de erven van Sipke Eizes Dijkstra, de vroegere eigenaar van de werf bij het Buitenste Verlaat. De benodigde financiën werden in 1902 verstrekt door de Residentiële Hypotheekbank in Den Haag aangevuld met een paar leningen van vrienden. Hij kocht een voor afbraak bestaand ‘hellinghûs’ (werkloods op de scheepswerf) met timmerschuur uit de omgeving van Scharsterbrug die hier naast een bestaande stelpboerderij opnieuw werden opgebouwd. Hij bouwde eigenhandig er zelf twee sleephellingen bij. Het vaarwater waaraan de werf opgezet werd was voor veel schippers de levensader. Vanuit bijvoorbeeld Leeuwarden brachten de schepen mest, de zogenaamde stratendrek, naar de voedselarme gronden rond Drachten. Veel schippers verdienden met dat vervoer hun brood. In de zomermaanden, als de boeren in de oogsttijd weinig werk voor de schippers hadden, was het de tijd om te hellingen. De werven in Drachten waren zeer in trek. Het ene naar het andere schip kreeg een onderhoudsbeurt op de helling. Berend had aan zijn zonen goedkope knechten. Maar veel werk was er in het begin niet, omdat de nieuwe mode ‘ijzer’ was en investerende schippers elders al volop keuze hadden.
In de stelpboerderij had Berend nog enkele koeien, net als vele van zijn collega’s, voor de melkvoorziening van het eigen gezin.

Bouke Roorda

Zoon Bouke Roorda, die van 21 februari 1878 tot 19 november 1958 leefde, genoot eveneens zijn opleiding bij Van der Werff. In 1887 nam Berend Tjeerds zijn zoon al mee naar de werf, waar hijzelf toen nog werkte, van Pieter Haikes van der Werff (*1845-†1900) aan de Noorderdwarsvaart om als pikjonge wat te verdienen en wat te leren. Bouke, genoemd naar zijn pake, was toen nog maar 9 jaar. In 1896 ging Bouke met zijn vader mee naar diens nieuwe houtbouwwerf. Daar was medio 1897 nog te weinig werk en doordat hij bij Pieter Haikes van der Werff niet meer dan 12,5 cent per uur kon verdienen, ging hij als jonge knecht van negentien naar de beroemde houtbouwwerf van de Jouster ‘Eeltsjebaes’ Eeltje Holtrop van der Zee (*1823 - †1901), een vermaarde houtbouwmeester, en diens zoon Auke (*1854 - †1939). De oude baas had op 74-jarige leeftijd een stapje teruggedaan. Hier ontdekte Bouke het geheim van snelheid in een vlot lossende kont, want de boten van Eeltsjebaes waren de mooiste en snelste van de negentiende eeuw. Bouke zijn eerste werkstuk was een werkstuk dat het absolute einde betekende voor de persoon voor wie het bestemd was. Hij moest een lijkkist maken, die hij de volgende ochtend moest afleveren. Bouke werkte de hele nacht door en had het karwei ’s morgens om vijf uur geklaard. Voor de verdiensten hoefde Bouke ook hier niet te zijn. Voor Bouke zijn werkzaamheden werd in 1898 fl. 0,15 doorberekend, het uurloon dat Aukebaes zijn klanten voor al zijn volwassen knechten in rekening placht te bren-gen. Het lijkt er dan ook op dat Bouke hier gedurende enige tijd zijn blik wilde verruimen op de werf van de Van der Zee’s, die toen op het toppunt van hun roem verkeerden. Nadat vader Berend een helling bouwde aan het Moleneind keerde Bouke terug naar Drachten.
Toen de ijzeren scheepsbouw een belangrijke vlucht nam besloot Bouke na 1902, na korte tijd bij zijn vader gewerkt te hebben, maar voor een jaar naar de vroegere ‘IJzeren Scheepsbouwwerf’ van Wolter Mulder (*1868 - †1960), zoon van de bekende scheepsbouwer Jacob Jans Mulder (*1827 - †1900), later Barkmeijer, in Vierverlaten (gemeente Hoogkerk) te gaan om het ‘ijzeren vak’ onder de knie te krijgen. Op deze ijzerwerf, waar verscheidene Friese aspirant ijzerbouwers werden geschoold, vooral in het winterseizoen, werkten meerdere familieleden van de Roorda’s. Hierin het Groningerland terechtgekomen door Tjeerd Pieters broer Jeen Pieters Roorda (*06-10-1798 te Zuider-Drachten - †24-08-1875 te Drachten). Geleerd werd hier het bewerken van ijzeren platen om er de juiste vorm aan te geven, het maken van de spanten, de volgorde van opbouw, het maken van klinkerverbindingen, enz. De scholing duurde over het algemeen een half jaar, waarna de ‘studenten’ weer naar de thuiswerf terugkeerden. Bouke bleef er drie jaar. Hij werkte daar overdag mee op het bedrijf en ’s avonds volgde hij theorielessen. Daarbij werden hem de vereiste wiskundige beginselen bijgebracht, leerde hij tekenen en rekenen, en deed hij de nodige bedrijfseconomische kennis op. Bij zijn terugkeer schakelden de Roorda’s in Drachten over van hout op de bouw van bijzondere stalen skûtsjes, maar eerst werden nog twee in aanbouwzijnde houten skûtsjes afgebouwd.

Na deze opdrachten werd vrijwel geheel overgeschakeld op de bouw van staalijzeren schepen. De turfvaart was weliswaar niet meer wat het geweest was, maar het vervoer van mest en terpaarde nam hevig toe. Bouke ontwikkelde met heit en zijn broers Tjeerd (*18-03-1881 te Drachten - †25-12-1966 te Drachten) en Wouter (*21-08-1886 te Drachten - †13-04-1943 te Heerenveen) een skûtsjetype dat zijn weerga niet zou kennen. De jonge Drachtster nam het initiatief rond 1905 in het tekenwerk van moderner gelijnde roefschepen. Bouke had tegen zijn broers gezegd: ”De kont moat mear bihelle wurde en wy moatte der in piik yn slaen”. Zijn basisidee was een schip te maken dat snel vaarde en veel kon laden in tegenstelling tot het Groninger scheepstype dat wel veel vracht kon laden maar minder snel voer. Bouke kon niet hebben bevroed dat hij in zijn kantoortje met dit idee begon aan de creatie van een vrachtscheepje dat nu nog door kenners onmiddellijk wordt herkend als het beroemde Piipster skûtsje. De prachtige belijning van de Piipster skûtsjes bevestigde allereerst de langdurige en grondige opleiding en ervaring die de vader en zoon Roorda bij Van der Werff aan de Langewyk opdeden. Daarenboven roepen vooral de schitterende gevormde kop en de mooie geveegde en gepiekte kont van de Piipsters enigszins de herinnering op aan de legendarische vracht- en visserschepen van de hand van Eeltje Holtrop van der Zee. Hij combineerde de slanke skûtsjes van Van der Werff met de sierlijke vorm die hij had geleerd bij Van de Zee met de bolle bovenbouw van Mulder tot een skûtsjetype, die later in de SKS-wedstrijden vele prijzen zou winnen. Ten opzichte van de voorheen gangbare vorm werd het begin van de rondingen van het achterschip verder naar voren verlegd en werd het achterschip minder ‘vol’. De kont werd mooi geveegd en liep in een ideale lijn uit het water weg. Met een dergelijke vorm liet het lege schip in ieder geval het water gemakkelijk los. In de kop benutte Roorda de eigenschappen van het nieuwe materiaal optimaal door de boegen extra rond te kloppen. Zo ontstonden boven de waterlijn wangen die bij belading draagvermogen aan het schip verschaften, maar het leeg niet remden. Optimaal vaart een zo ontworpen schip in een hoek van ongeveer twintig graden op het water. Het ideaal van iedere scheepsbouwer om schepen te bouwen die een optimale verhouding hebben tussen laadvermogen en snelheid wist Bouke hierdoor in zijn ijzeren skûtsjes te bereiken.
Bouke moet een uitzonderlijk talent hebben gehad. Hij was de ‘Mozart onder de skûtsjebouwers’. De skûtsjes zelf worden wel de Formule 1 van de skûtsjevloot genoemd. Ontegenzeggelijk is het feit dat Bouke en zijn vader Berend Tjeerds beide begiftigd waren met een hoge begaafdheid voor het scheepsbouwvak en dat is aan hun schepen alleszins te zien. Uit de hellingboeken blijkt dat op de Piipsterwerf tussen 1906 en 1925 door Bouke met zijn broers 42 ijzeren schepen zijn gebouwd. In deze periode werden er op de werf van de gebroeders Roorda een zesentwintig stalen turf-, modder-, dong- en jarreskûtsjes gebouwd. Vele ervan gingen terpaarde en mest varen naar respectievelijk de Friese Zuidoosthoek. De opdrachtgevers van de Piipster werf waren over heel Fryslân verspreid. De nieuwe werf aan het Moleneind bouwde al vroeg schepen voor opdrachtgevers uit alle windstreken, vanaf 1908 ook klipper- en hevelaken, boltjalken en aakschepen, sleepboten, vletten, pramen en schouwen.

Gebrs. B.T.W. en S. Roorda

In 1909 begonnen de Roorda’s aan de serie zeer snelle skûtsjes, die de hardzeilerij zouden gaan domineren. In eerste instantie vertoonden de skûtsjes het uiterlijk van een Van der Werff skûtsje. Maar Bouke had ontdekt dat er met staal meer mogelijk was dan met het weerbarstige eikenhout. Hij zwoegde nachten met potlood, passer, liniaal en papier. Na dagen lang tekenen en na een scheepslading schetsen had hij het ideaalbeeld van zijn skûtsje aangepast. De kont werd wat vlakker getrokken tot een vloeiend in het vlak weglopende ronding, dat wil zeggen de mooie geveegde kont welke onder water mooi gepiekt wegliep. Bouke slaagde erin zijn kennis van rondingen in hout om te zetten in het bouwen in ijzer. In de kop wist Bouke het nieuwe materiaal zo te kloppen dat er mooie ronde boegen ontstonden die niet remden in het water. Bouke was een meer dan uitstekende scheepsbouwmeester. Veel schippers waardeerden dit, zodat de Roorda’s het jarenlang erg druk hadden.

Maar na een paar jaar ging het mis. Hoewel Berend en zijn zonen hun zaakjes ook financieel naar behoren op een rij hadden, bracht één van de drie klippers die ze bouwden hen toch een gevoelig verlies. In die tijd was het gebruikelijk dat, als de koper zijn schip dat hij besteld had niet kon betalen, de scheepsbouwer eigenaar bleef. Één van zijn klanten nam een klipperaak af waar Berend eigenaar van bleef. Op zijn eerste vaart in 1909 naar de Oostzee via de Sont en het Kattegat verging het schip bij Jutland. Omdat de route via het Kielerkanaal niet werd genomen, verviel de dekking door de verzekering. Mede daardoor kwam Berend toen in ernstige financiële problemen, wat resulteerde in zijn faillissement. Een aakschip de ‘Ambulant’ van 92 ton, dat deel uitmaakte van Berend’s failliete boedel, lag in 1911 in Harlingen aan de werf van ‘Welgelegen’ van Joon Molles van der Werf (*1856 - †1934) om daar publiek te worden verkocht. Tegenover het passief met een totale schuld van fl. 28.397,- stond een actief van fl. 5.149,-. Hiervan werd fl. 4.647,- toegewezen aan preferente crediteuren en de rest bleef over voor de concurrerende crediteuren. Deze laatsten kregen zo nog geen 2,5% op hun vorderingen uitbetaald.

In juni 1911 startten de broers Bouke, Tjeerd, Wouter en Sietze (*25-10-1888 te Drachten - †17-12-1964 te Drachten) de failliete werf van hun vader direct weer op onder de naam ‘Gebrs. B.T.W. en S. Roorda, Scheepsbouw- en Constructiewerkplaats’. De taken werden verdeeld tussen de broers. Bouke werd erkend als baas. Hij tekende de schepen, deed de inkoop en bracht ze aan de man. Tjeerd was de man van het smidswerk en ging dus over de directe staalbouw en de machines. Hij zag toe op het kloppen van het plaatijzer wat tot in de verre omtrek was te horen. Vooral ’s morgens vroeg met windstil weer konden ze het kloppen van de andere werven aan het Oosteinde en Bûtenstfallaat horen. Wouter was de ‘bisjitter’ van de werf. Zijn taak was het echte scheepstimmerwerk. Alle houtbewerking, waaronder ook het ‘besjitte’, met hout bekleden van het schip en het gepriegel in de roefjes, met al die kastjes die naadloos bij elkaar moesten aansluiten, vielen onder zijn verantwoordelijkheid. Hij was daarin zeer berdreven en maakte daarnaast ook de versieringen, zoals aan de roerklikken. Fraai houtsnijwerk waarvan veel voorbeelden te zien zijn in het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek. Sietze was wel deelgenoot maar werkte niet op de werf. Hij voelde zich sterk tot de natuur aangetrokken en besloot uit het scheepsbouwvak te stappen en ging de naastliggende boerderij doen.
In augustus van dit jaar van overname leverden de Roorda’s op de ‘Piip’ ‘De Jonge Jan’ [L 1265 N] (ook wel ‘Poep’ genoemd naar de bijnaam van de schipper) op voor Sijtze Jiskes Sijtema uit Oostermeer. Hij voer jarenlang zwaar overtuigd zo snel dat het schip elke route in de wedstrijd vijftig meter extra moest afleggen. Dit kwam voornamelijk door de bijzondere eigenschap van dit schip waarbij de stabiliteit in slagzij hoog was. Aan het huidige skûtsje van Bolsward [S 1008 N] werd op 22 juni 1910 begonnen, afgeleverd op 10 september 1910, prijs fl. 2.450,-. De ‘Sneker Pan’ [L 1350 N] werd in 1913 gebouwd, begonnen op 7 augustus en afgeleverd op 26 november, prijs fl. 2.800,-. Daartegen werd vlak voor de instorting van de scheepsbouw de ‘Gerben van Manen’ [L 1418 N] door de inflatie van de Eerste Wereldoorlog voor fl. 3.950,- opgeleverd zonder mast op 4 december 1915. Het schip werd voor eigen risico gebouwd. De toenmalige schipper Rienk Lieuwes van der Veen uit Terherne kon toen niet bevroeden dat zijn ‘De Jonge Pieter’ vele jaren later voor Heerenveen vele malen kampioen zou worden in de SKS. Dit skûtsje behoort tot de meest succesvolle schepen van deze werf. Het was een productieve periode van amper veertien jaar, waar collegae soms dertig jaar actief waren om hetzelfde te bereiken.
In 1921 trok Berend Tjeerds zich helemaal terug uit het bedrijf. Hij had de omschakeling van zijn jongens nog actief meegemaakt. Een jaar later lieten de broers hun bedrijf in 1922 officieel bij de Kamer van Koophandel registreren als de ‘Gebrs. Roorda Scheepsbouw- en Constructiewerkplaats’. De skûtsjebouw liep terug, de terpaarde en natuurmest werden vervangen door kunstmest. Ze hadden nog wel veel reparatiewerk. Zoveel zelfs dat in de slapste tijd van juli - augustus de Drachtstervaart bijna verstopt lag met skûtsjes en tjalken. In deze periode schakelden ook de Roorda’s noodgedwongen over op ander werk. De broers gingen over tot het aannemen van constructiewerk, voornamelijk van waterbouwkundige werken. Zij gingen zich specialiseren in het maken van baggermachines en zetten het maken van sluizen en bruggen voort samen met het noodzakelijk onderhoud daarvan, zoals de die in de Drachtstervaart. Op een zolderschuit werden de sluisdeuren ter plekke gerepareerd. Ze bouwden voor de provincie Friesland en de gemeenten Franekeradeel, Smallingerland en Opsterland. Maar ook werd er zelfs al in 1911 een schipbrug gemaakt in Doesburg. Een andere grote klus was de bouw van een tribune voor het sportpark Heerenveen in 1926. Het laatste schip werd in 1933 afgeleverd. Op 1 januari 1936 wordt de rechtsvorm van het bedrijf gewijzigd in een vennootschap onder firma. Op 19 november 1958 wordt het bedrijf formeel opgeheven en liet de laatst overgebleven broer Tjeerd, na het overlijden van Bouke, de vennootschap uitschrijven bij de Kamer van Koophandel.
Het terrein werd gekocht door het in 1950 in Drachten gevestigde NV Philips Gloeilampenfabrieken voor een montagefabriek van scheerapparaten. In de jaren 1966/67 werd de Drachtster Vaart gedempt en is ook de werf verdwenen. Op de plaats van het huidige parkeerterrein van Philips aan het Moleneind stond eens de beroemde werf van de Roorda’s. Maar bij de jaarlijkse wedstrijden Skûtsjesilen verschijnen nog vele schepen, die gebouwd zijn op de Piipster werf, aan de start.
Laatst gewijzigd op: 10 september 2011

ga naar onze facebookpagina